Ik heb vandaag gespijbeld, want het is bijna lente. We lagen in het gras in het park en we keken naar de lucht en naar die dingetjes die je eigenlijk alleen ziet als je naar de lucht kijkt en die op je netvlies lijken te drijven. Hij zag kleine lichtpuntjes en ik zag zwarte vlekken en krassen en we zagen allebei belletjes, los en aan elkaar geplakt zodat het een soort rupsen worden die met je ogen meebewegen. Verder waren er nog vogels en kleine stapelwolkjes en vliegtuigen en een legerhelicopter waar misschien wel een heleboel Amerikaanse militairen inzaten. Het was toch best een mooie helicopter. De zon scheen, er waren hondjes en spelende kinderen, een watertje, er woei een zacht briesje en het had niet veel gescheeld of we waren op een grasspriet gaan kauwen. Maar er zijn grenzen.
Klinkt het niet mooi en idyllisch en als bijna de enige manier om een vroege voorjaarsdag door te brengen? Nou, ze kunnen me nog meer vertellen. Dat hele in de lente op je rug in het gras liggen en naar de lucht staren wordt zwaar overschat, volgens mij. Al in de eerste plaats omdat het nieuwe Utrechtse park eigenlijk een grote omlijste gifplas is, met een laagje gras eroverheen. Je hoeft niet heel veel fantasie te hebben om het onder je te horen borrelen en bruisen en als je goed kijkt zie je de toxische dampen kringelen net boven het grondoppervlak. Die hondjes en kinderen stellen zich niet voor niets zo aan. Daarbij, mensen, het is februari! Eén waterig zonnetje maakt nog geen zomer! De grond was vochtig en koud vooral. Mijn rug versteende langzaam en de kou kroop zelfs door mijn schoonzolen omhoog. Ik ben nu thuis. Gordijnen dicht, kaarsen aan, rode wijn. Zojuist heb ik een tweede paar dikke sokken en een derde dikke trui aangetrokken. Mijn lichaam wil maar niet warm worden.
Ik heb het niet zo op die overgangsseizoenen. Zomer, geweldig, winter oké. Maar kunnen we de lente en de herfst voortaan niet gewoon overslaan?
Een heel klein beetje ruikt het hier zoals het in een café wel kan ruiken als je er 's morgens een kop koffie drinkt. Een muf bierluchtje vermengd met oude sigarettenrook. Maar het ziet er feestelijker uit dan ooit. De ballonnen hangen er nog, overal staan bossen bloemen en de zon straalt blij naar binnen. Werken is leuk.
Vrijdagmiddag om vier uur zou onze openingsborrel beginnen. Ik geef niet graag feestjes. Ik ben altijd bang dat er niemand komt en als er wel gasten komen, zit ik aan een stuk door heel neurotisch op te letten of ze het wel naar hun zin hebben. Doodmoe word ik daarvan. Toen mijn kantoorgenoten een borrel opperden, was ik dan ook geen voorstander. Maar ik wilde ook weer geen spelbreker zijn. Dus deed ik mee. Voor mij komt er vast niemand, waarschuwde ik keer op keer. Om die kans extra groot te maken, nodigde ik niemand uit.
Tot de tijd begon te dringen en ik mezelf al als een droevig muurbloempje met een glaasje limonade zag staan, terwijl alle anderen rondleidingen gaven, complimenten over de ruimte in ontvangst namen en interessante gesprekken voerden. Ik vroeg m'n beste vrienden en zij beloofden te komen. Ze vonden het zelfs leuk. Op de valreep (drie dagen voor het grote festival) stuurde ik toen ook maar een mailtje naar m'n ouders, m'n broers, aanhang en nog wat vrienden en leuke klanten van wie ik dacht dat ze misschien m'n nieuwe kantoor wel 'ns wilden zien. Ik kreeg geen reacties. Die hebben natuurlijk wel wat beters te doen op vrijdagmiddag, dacht ik nog.
Het werd vrijdagmorgen en er moesten inkopen worden gedaan. Nog steeds nul afmeldingen in mijn inbox, maar inmiddels hadden al wel een paar vrienden en familieleden hun aanwezigheid aangekondigd. We zetten bossen tulpen neer en hingen slingers op en ik begon me te voelen alsof ik een partijtje voor m'n zesde verjaardag ging geven. Onze huiscateraar M. (die ook kantoor houdt in het pand) kwam grote schalen met hapjes brengen die er zo kunstig uitzagen dat het bijna zonde was om ze op te eten. Straks komt iedereen, bedacht ik opeens angstig. Daar moest ik meteen hard om lachen. Natuurlijk niet! Voor de zekerheid bestelde ik toch een paar extra flessen wijn en kratjes bier.
De klok sloeg vier en daar was de eerste gast. Niet voor mij. De volgende gasten druppelden ook snel binnen en al snel gaven de anderen rondleidingen, namen complimenten over de ruimte in ontvangst en voerden interessante gesprekken. Bijna dacht ik dat ik de komende uren zou doorbrengen met Charlotte, de tienjarige dochter van mijn bureaubuurman, toen ik vriendin C. en vriendin C. de trap op hoorde komen. "Eindelijk zijn er ook bezoekers voor mij", begroette ik hen ietwat verontwaardigd, waarop ze me uitlachten. Het was kwart over vier.
Vijf minuten later stond broer H. in de deuropening met schoonzus A. en nichtje S. aan zijn zijde. Ik was nog nauwelijks van de verrassing bekomen of daar waren m'n ouders en niet lang daarna betraden J. en E. het pand, al snel gevolgd door ex V. Het werd almaar gezelliger en mede door de fantastische inzet van nichtje S., die al mijn gasten voortdurend van verse drankjes voorzag, hoefde ik me helemaal niet druk te maken of de mensen zich wel vermaakten. Op een enkeling na, was iedereen die ik had uitgenodigd van de partij. Ik heb rondleidingen gegeven, complimenten over de ruimte in ontvangst genomen en interessante gesprekken gevoerd. Samen met de laatste gasten vertrok ik om negen uur richting Casa di David. Net als de laatste gasten, wat onvast op m'n benen.
Misschien moet ik vaker een feestje geven. Niet alleen is dat heel gezellig, maar het levert ook wat op! Ik heb me vandaag omringd met mijn cadeautjes. Van links naar rechts: een lief vaasje met vier rozen, mijn eigen mok met het opschrift: 'Niet storen, genie aan het werk!', een fles Champagne Brut, een doos bonbons, een cd met tiepmuziek, een pennenbakje, een doosje met Geboortehartjes (voor de geboorte van het nieuwe kantoor), de bundel 'Het ging over rozen' van Ingmar Heytze, twee supermooie koffiekoppen, een enorme bos katjesbloesem en een leuk lenteschaaltje met krokussen.
Ik kan nog even nagenieten. En als straks de bloemen zijn uitgebloeid, de ballonnen geknald, de cadeautjes opgeborgen of geïntegreerd met de omgeving, dan is er altijd nog die rodewijnvlek in het marmoleum die de werkster niet wegkreeg, precies onder mijn stoel, om me te herinneren aan deze geslaagde openingsborrel.
Vrijdagmiddag was de openingsborrel van mijn nieuwe kantoor, waarover later meer.
Bij Casa di David in Utrecht maken jze de lekkerste Spaghetti Carbonara.
De dames van de sieradenafdeling in de Bijenkorf zijn chagrijnig, sloom, klantonvriendelijk en stom. Een mooie en zorgvuldig uitgekozen ketting voor je moeder flikkeren ze in een lelijke gedeukte Bijenkorf-doos, ze vouwen er een gekreukt papiertje omheen en that's it, er kan niet eens een lintje of een Hartelijk Gefeliciteerd-stickertje vanaf en dan doen ze er nog een kwartier over om het in te pakken.
Vandaag (of eigenlijk gisteren) was mijn moeder jarig. Ze is nu 54 jaar.
De lente is nog ver van ons.
Voor wandelen langs de Waal is het nog veel te koud.
Misschien heb ik iets heel ernstigs aan mijn rug. Sinds de afgelopen twee uur zit er een zeurend pijntje. Hernia schijnt in de familie voor te komen. Hoewel, de moeder van mijn halfbroer is misschien niet echt familie van mij. Het kan ook zijn dat ik gewoon ongesteld moet worden, dat werd de afgelopen maanden ook aangekondigd door rugpijn.
Woensdag ga ik eindelijk naar De Tweeling.
Een logje schrijven in bed lijkt comfortabeler dan het is. Zeker met rugpijn is het eigenlijk niet zo fijn.
Als ik in Word een stukje schrijf en het via Pivot op mijn website plak, worden alle apostrofjes vraagtekens.
Bij
Lijn heb ik zojuist mijn eigen
Googlewhack gevonden!
Charlotte+kreeftenscharen=1. Mijn excuses als dit u als wartaal in de oren klinkt. Een heldere uitleg vindt u
hier.
JW whackte me trouwens op m'n eigen site met
knoflookaroma, dat is natuurlijk nog iets beter.
Beste vrouwelijke logster, is dat geen dubbelopisme? Anyway, het is wel duidelijk dat ik dat ben. Al was het alleen maar omdat ik in geen enkele andere categorie genomineerd ben.
Stem dus op mij. Ik wil nu ook wel eens wat winnen.
Zo'n 90 procent van de tijd denk ik dat ik zeer binnenkort kom te overlijden. Ik ben nogal hypochondrisch aangelegd. Voortdurend ontdek ik symptomen bij mezelf - bultjes, wondjes, plekjes, pijntjes, geluidjes - die erop wijzen dat het einde nabij is, dat ik ten dode ben opgeschreven. Mensen met een overdreven positieve instelling of die te vaak naar Youp van 't Hek hebben gekeken, denken nu misschien: Dat is fantastisch! Geniet! Leef elke dag alsof het de laatste is! Maar ik ben dus niet zo.
Ik maak me zorgen en neem in 't geheim telkens weer afscheid van iedereen die mij dierbaar is. Dat is nogal uitputtend, maar er zit weinig anders op. Een enkele keer ga ik naar de huisarts met een van m'n terminale kwalen, maar zij neemt me sinds ik met een verrekte spier voorzichtig nekkramp opperde, niet meer zo serieus. Zo'n 90 procent van de tijd denk ik dus dat ik doodga, maar ben ik in feite kerngezond. Zonder dat ik het weet en mijn gezondheid voldoende waardeer en respecteer. Maar des te gelukkiger ben ik telkens als blijkt dat ik de vreselijke ziekte die ik me verbeeldde, niet heb.
Tot mijn grote vreugde heb ik gisteren bijvoorbeeld mogen constateren dat ik geen scheurbuik heb. Dat dacht ik namelijk. Niet serieus, maar het speelde toch zo nu en dan door mijn hoofd. In mijn herinnering gingen alle geschiedenislessen op de lagere school over zeelieden met scheurbuik. Dat kreeg je door vitaminegebrek, het begon met bloedend tandvlees en uiteindelijk ging zo'n matroos dan dood. Ik weet niet waarom er zo de nadruk op scheurbuik werd gelegd, maar het is echt zo. Michiel de Ruyter, Piet Hein, de VOC, uiteindelijk draaide het allemaal om scheurbuik. Misschien wilden ze de kinderen bangmaken om hen aan te sporen goed hun mandarijntjes op te eten. Dat bangmaken is bij mij goed gelukt, maar ik ben toch nooit echt een fruitliefhebber geworden.
Ik heb al een tijdje last van bloedend tandvlees als ik m'n tanden poets. Tjongejonge, denkt u nu misschien, dat is toch geen reden om meteen te denken dat je scheurbuik hebt! Maar het ziet er toevallig wel hartstikke eng uit, als je zo'n een hele slok bloederige slijmtandpasta uitspuugt! Daarbij eet ik zelden iets fruitigs, behalve Danone Fruit Kwark, dus het is heus geen geheel onlogische gedachte. Ik dacht het ook niet de hele tijd, maar af en toe kwamen die geschiedenislessen weer boven en als ik dan net m'n tanden had gepoetst, dan wilde ik wel eens het een met het ander verbinden.
Gisteren ben ik voor het eerst van m'n leven naar een mondhygiëniste geweest om tandsteen weg te laten halen. Terwijl ze er lustig op los aan het bikken en het schrapen was en de stukken tandsteen in m'n mond rondvlogen, vertelde ze over het ontstaan ervan.
Tandsteen bestaat uit bacteriën die zo lang stil zijn blijven zitten, dat ze zijn versteend. Het zijn bacteriefossielen geworden. Als die bacteriefossielen aan elkaar gaan klonteren, dan krijg je een soort rotsjes in je mond, die aan je tanden vastgroeien, vooral in de spleetjes en de hoekjes waar je met je borstel niet bij kunt. Die rotsjes zijn weer prima huisvesting voor nieuwe bacteriën. Die nestelen zich tussen hun fossiele voorvaderen en je tandvlees en doen zich te goed aan de etensresten die er natuurlijk ook aan blijven hangen. Uiteindelijk verstenen ook de nieuwe bacteriën weer en binnen de kortste keren heb je complete ruïnes van dooie beestjes in je mond. Je tandvlees vindt het maar niks, al dat dood en levend bacteriegeweld, en raakt steeds geïrriteerder. Als je er dan ook nog eens tweemaal daags met een elektrische tandenborstel in gaat zitten peuren, dan gaat dat bloeden.
Dat vertelde de mondhygiëniste. Ik liet zo nu en dan een instemmend 'uh' horen en probeerde niets van de opluchting te laten merken. Want tandsteen, dat kan ik aan! Dat is iets heel normaals, waar je niet aan doodgaat! Ik heb geen scheurbuik en dat bloeden was heel onschuldig. Tandsteen is bovendien zeer eenvoudig te voorkomen. Door te flossen. Ik vond flossen altijd een tamelijk suffe en onnodige activiteit, maar daarin heb ik me vergist. Als je flost, haal je die bacteriën van hun plek, zodat ze niet kunnen gaan zitten verstenen, waardoor je tandvlees niet meer geïrriteerd raakt en je geen bloed meer spuugt. Flossen is goed. Mensen zouden meer moeten flossen. Flost u eigenlijk wel genoeg?
Volgens mij heb ik nu voor het eerst in de geschiedenis van Charlotte's web een verhaal met een moraal geschreven. Flossen. Het is een begin.
1 runder gehak 3,16
1 red star aardappelen 1,09
1 andijvie 1,69
1 spekreepjes 2,29
1 danone fruitkwark 1,58
1 schepsnoep 3,02
1 mars celebrations 2,35
1 cadbury milk choc 1,09
1 cadbury milk choc 1,09
1 cadbury milk choc 1,09
1 kinder surprise ei 1,79
Honger is maar een slechte raadgever in de supermarkt.
Woensdag was een typische pakdag: een dag om m'n pak aan te trekken. Ik heb één pak en daar moet ik zuinig mee zijn. Niet omdat het niet kapot mag gaan of vies mag worden, want dan koop ik wel weer een nieuw pak. Dat is het punt niet. Ik moet het niet te vaak aantrekken, dat bedoel ik. Niet dat het zo wordt van: oh, ik zie een klant, ik trek m'n pak aan. Dan gaat het speciale eraf. Bovendien zit het er dik in dat ik in de toekomst weer een afspraak heb met dezelfde klant en straks gaan ze nog denken dat ik maar één pak heb. Dat is wel waar, maar ik heb toch liever niet dat iedereen dat weet. (Daarom zet ik het ook op internet, begrijpt u.)
Woensdag was dus wel een pakdag. Zo'n dag in een zakelijke omgeving, waarop je allemaal pakmannen en pakvrouwen ontmoet en waarop je je ongemakkelijk voelt als je toevallig net had besloten je gifgroene broek en knalroze trui aan te trekken. Daarom had ik mijn pak aan. Ik vind het fijn in mijn pak. Mijn pak zit lekker. Het is een roodbruin pak, met een soort van wittig streepje. Het bestaat uit een broek en een jasje en een wit bloesje. De broek en het jasje zijn gemaakt van fijne, lichte, zachte stof die best iets mag kreuken. De broek is wijd en flappert zo'n beetje elegant rond m'n benen als ik in de rondte stap.
Stiekem zit mijn pak fijner dan de spijkerbroeken en de truitjes die ik op andere dagen, niet-pakdagen, draag. De mode van nu is niet bedoeld om je prettig in te voelen, volgens mij. Alles is net iets te klein, te strak en te krap. Door de huidige navelfixatie zijn de broeken te laag en de shirts te kort, waardoor je de hele dag met een koude blote streep rondloopt. Kan je wel een hemd aantrekken, maar dat ziet er niet uit, natuurlijk.
Pakdagen zijn goeie dagen. Dan hoor ik bij de belangrijke mensen, die interessant kijken en gewichtige gesprekken voeren. Op de pakdagen loop ik wat rechter en zelfverzekerder. Ik trek dan een gezicht alsof ik erge haast heb en als ik echt goed in m'n rol zit, hou ik m'n mobiele telefoon in m'n hand alsof-ie ieder moment kan gaan. En dan rinkel ik wat met m'n autosleutels in m'n andere hand. Onder m'n arm een map waarin zich uiteraard zeer belangrijke documenten bevinden. Pakdagen zijn cool.
Gisteren was het geen pakdag meer en vandaag al helemaal niet. Ik zit hier weer gewoon in een te lage broek en een te kort vestje met capuchon die nergens voor dient, want ik zit niet om een warm hoofd verlegen, maar om een warme middel. Ik voel me niet echt belangrijk, ik zeg geen gewichtige dingen en ik slenter wat rond, zonder elegant flapperende pijpen. Een meeting heet alweer een afspraak en een communicatie-uiting een stukje. Ik wou dat het vaker pakdag was. Misschien moet ik gewoon nog een pak kopen.
Omdat deze website wel erg op een slapstick-marathon begint te lijken, zal ik jullie het verhaal van de stroopwafel, de magnetron en de ontvelde onderlip besparen.
Kent u het gevoel van dat je het ene moment rustig in een cafeetje op een bankje zit, omringd door vrienden, biertje in je hand, kalm, vrolijk en op je op gemak zo nu en dan deelnemend aan de verhitte conversatie, maar zonder je er verder erg druk om te maken - en dat je dan het volgende moment snikkend, hoestend en proestend boven de wasbak op het damestoilet hangt in grote paniek en nog grotere ademnood? Dat had ik gisteren. Ik zat rustig in een Amsterdams cafeetje op een bankje, omringd door vrienden, biertje in m'n hand, kalm, vrolijk en op m'n gemak. Zo nu en dan nam ik deel aan de conversatie, maar gewoon een beetje luisteren was leuker. De gemoederen liepen hoog op en net als de meeste kroegdiscussies was ook deze uitgelopen op een herhaling van zetten. Het ging over computers. P. vond een computer vergelijkbaar met een levend organisme. V. vond alles wat P. zei triviaal. Om V. van zijn gelijk te overtuigen haalde P. de theorie van de Gulden Snede erbij, briljant vond hij zelf, maar V. vond het triviaal. "Kun je nou eens proberen één zin zonder het woord triviaal uit te spreken?", vroeg P. verontwaardigd en of het nu was omdat hij dat zei, of de manier waarop, ik vond het erg grappig, dus ik schoot in de lach.
Onmiddellijk spijt. De forse slok bier die ik juist daarvoor had genomen, zoog zich direct met grote kracht door mijn luchtpijp mijn longen in en benam me iedere mogelijkheid tot ademen. Paniek! Water! Ik vloog op en rende, viel half, het smalle trappetje af. In de damestoiletten ging ik aan de kraan hangen, maar het hielp niet. Ik kon niet ademhalen. Er zat bier in de weg. Ik hoestte en dat deed pijn, ik snakte en probeerde mezelf op m'n rug te slaan, een klein stroompje lucht ging de goede kant op. Er kwam een vrouw binnen. Ze keek me argwanend aan. 'Help!' probeerde ik met m'n ogen te zeggen, want ik kon alleen nog maar 'hhhh hhhh' uitbrengen. Tranen liepen over m'n wangen. Ze ging een toilethokje in. Ik hoestte weer hard, zo hard dat ik er kotsgeluiden bij maakte en nu kreeg ik al iets meer lucht. Ik moest geklonken hebben als een stervend paard, maar ik ademde tenminste. In de spiegel bezag ik mezelf lijkbleek met nog een spoor van doodsangst in m'n ogen. Ik nam voorzichtig nog een slokje water. Het zuurstofgebrek leek langzaam te op te lossen. Behoorlijk amechtig en bezweet ging ik het andere toilethokje in, op de wc-pot probeerde ik met m'n hoofd tussen m'n knieën m'n ademhaling weer onder controle te krijgen. Ik bleef nog een tijdje zitten nadat ik de argwanende, niet-behulpzame mevrouw weg had horen gaan. Mijn hartslag stabiliseerde en ik wankelde weer naar boven, waar P. en V. mijn afwezigheid nauwelijks hadden opgemerkt. "Hee, waar was je nou?" vroeg V. toen ik alweer een tijdje zat. "Ik was bijna dood aan het gaan," zei ik moeizaam. V. was maar matig onder de indruk. "Hmm. Je ziet inderdaad wat witjes."
|
|