Favicon
Kijkt u allemaal nu in de adresbalk! Wat staat er voor http://www.charlottesweb.nl/web? Als plaatje? Een klein paars schoentje? Of iets anders? Wat dan?
Kijkt u allemaal nu in de adresbalk! Wat staat er voor http://www.charlottesweb.nl/web? Als plaatje? Een klein paars schoentje? Of iets anders? Wat dan?
“Weet je wel dat je uitlaat lek is,” vroeg de meneer van de wasstraat, terwijl ik probeerde mijn linkerwiel op de lopende band te sturen. Dat wist ik wel. “Daardoor zuipt-ie veel meer,” ging hij verder in stoer automannenjargon. “Misschien wel het dubbele. Moet je snel iets aan laten doen.” Ik beloofde een spoedig bezoek aan de garage en vroeg om muntjes voor de stofzuiger straks. “Voor jou is dat helemaal gratis,” zei hij. “Hoe vind je dat?” “Daar ben ik dolgelukkig mee,” antwoordde ik. Toen startte hij de band.
Ik denk dat ik misschien wel twee jaar geleden voor het laatst met mijn auto door de wasstraat ging. Hij was dan ook behoorlijk goor. Ik weet nog dat het autootje dieprood was en me iedere dag tegemoet glansde en glom. De motorkap is na vijf jaar weersomstandigheden oudroze geworden en ook het dak is verbleekt, maar er zitten wel grappige zwarte spikkels op. Iemand uit de buurt heeft weken geleden met zijn vinger op het dak LUL geschreven en dat is daar dapper blijven staan, regen en sneeuw en hagel konden het stoute woord niet vervagen, laat staan wissen en zelfs eenmaal door de wasstraat stond er nog altijd een fier LUL op het dak van de auto.
Ik had me voorbereid. Voor mijn bezoek aan de wasstraat had ik bij een benzinestation tien poetsdoeken gekocht, cockpitspray en een grote fles spul speciaal voor dofgeworden lak. Na het gratis stofzuigen, sprayde ik het dashboard en vervolgens ging ik aan de slag met mijn fles spul. Ik deed een flinke mop spul op een van de poetsdoeken en smeerde het uit op de motorkap. Ik had me misschien teveel voorgesteld van het resultaat. Ik dacht dat mijn dieprode glanzende autootje van vroeger meteen onder mijn poetsdoek tevoorschijn zou komen, dat ik een fles wondermiddel in handen had waarmee ik oude tijden zou doen herleven, de tijden waarin het autootje en ik nog heel verliefd op elkaar waren.
In plaats daarvan liet ik met mijn poetsdoek een vaalwitte veeg achter. En nog een en nog een tot zeker de helft van de motorkap niet meer oudroze, maar lichtgrijs was geworden. Ik las de gebruiksaanwijzing op de fles met spul. ‘Stevig wrijven kan de polijstende werking versterken’, stond er. Aha. Ik wreef niet stevig genoeg. Met nieuwe moed sloeg ik aan het wrijven, stevig wrijven, nog steviger wrijven, maar het werd er niet beter op. Achter me klonk opeens een stem die me bemoedigend toesprak.
“Dat gaat jou nooit lukken.” Ik keek om en, u raadt het al, daar stond de meneer van de wasstraat. “Echt niet?” vroeg ik angstig. “Nee. Ik zal je ook vertellen waarom niet.” Hij ging rechtop staan. “Drie dingen,” zei de wasstraatmeneer en stak daarbij drie vingers in de lucht. Ik had het niet vreemd gevonden als hij nu ook een flipover vanonder zijn jas had gehaald voor bij zijn presentatie over het poetsen van auto’s. Maar hij kon het slechts met behulp van zijn vingers.
“Poetsen”, besloot de meneer van de wasstraat, “lijkt heel makkelijk, maar is eigenlijk heel moeilijk.” Schuldbewust keek ik hem aan. Ik had het inderdaad onderschat, dat poetsen. Er te weinig tijd voor uitgetrokken ook. Want het was al vijf voor zes en de wasstraat ging sluiten, dus als ik door wilde gaan met deze zinloze klus, zou ik dat ergens anders moeten doen. Ik mocht het grijze spul nog even uitwrijven, de wasstraatmeneer adviseerde me hiervoor een schone poetsdoek te nemen. Maar daarna moest ik echt weg. Bedroefd keek ik naar mijn bleek uitgeslagen motorkap. Op het dak van de auto staat nog steeds LUL.
Gisterenmorgen droomde ik dat Textpattern eigenlijk een toneelstuk was, geregisseerd door mijn broer, waarin een van mijn beste vriendinnen de hoofdrol speelde. Opeens riep er een mevrouw heel hard iets over vertrektijden en passagiers in mijn oor en dat deed ze ook nog met een Vlaams accent. Ik werd er wakker van. Wat raar, denkt u nu waarschijnlijk, maar het is helemaal niet raar, want ik sliep pal naast het station van Antwerpen. Vorige week werd ik nog wakker in een Frans hotelletje en dit weekend alweer in Belgi?, ik word nog een heuse wereldreizigster.
Dit had de inleiding moeten zijn van een lang verhaal waarin ik u onder meer iets had willen vertellen over het poetsen van auto’s en met name het poetsen van rode auto’s. Dat lijkt dus heel makkelijk, maar is eigenlijk heel moeilijk. Maar misschien moest ik het hier maar gewoon bij laten, want op SBS 6 is The Mexican bezig met Julia Roberts en Bradje Pitt.
H: “Wat zien mensen in die jongen? Hij ziet eruit als een baksteen.”
C: “Echt niet.”
H: “Oh. Ok?.”
Overigens bestaat dit log vandaag precies twee jaar en zeven dagen. Gefeliciteerd, log!
Wij hadden gisteren – g?h toevallig zeg – een superleuke avond met hele coole mensen. En ?k hoefde niet te rijden. Daardoor heb ik wel een of twee glaasjes wijn teveel gedronken. Dat soort dingen gaat nu eenmaal ongemerkt als het gezellig en leuk is. Maar vandaag merkte ik het wel degelijk! In mijn hoofd en in mijn buik en in mijn benen. Alles was zwaar en draaierig. Bluh enzo.
Hebt u dat nou ook dat als u ietwat katerig bent, u het gevoel hebt dat de wereld eigenlijk niet waar is? Dat het allemaal een grapje is, maar dan een van het niet echt lachwekkende soort? En dat u er zelf eigenlijk ook niet bent? Ik heb dat wel. En de schuifdeuren van het postkantoor hebben het ook! Bij mij dan. Het is echt waar: ze doen alsof ik niet besta.
Ik werd vandaag tot twee keer toe genegeerd door de deuren van het postkantoor. De eerste keer – toen ik naar binnen wilde – viel het niet zo op, want toen werd ik ingehaald door iemand voor wie de deuren wel opengingen. Maar toen ik het postkantoor wilde verlaten kon ik doen wat ik wilde, de deuren bleven stijf gesloten. Ik ben drie keer heen en weer gelopen, heb de deuren van opzij benaderd en ik heb zelfs gesprongen omdat ik dacht dat het sensortje misschien boven mijn hoofd zat. Springen is niet zo erg prettig als je de vorige avond een of twee glaasjes wijn teveel hebt gedronken. Het was allemaal tevergeefs.
Ten einde raad heb ik me verdekt opgesteld en gewacht tot er een mevrouw met een kinderwagen aankwam. Voor haar openden de deuren zich natuurlijk onmiddellijk en ik ben er snel achteraan geglipt. Ze keek achterom alsof ze een spook zag. Misschien leek ik daar vandaag ook wel een beetje op of misschien keek ze ook door me heen net als de schuifdeuren en had ze alleen maar het gevoel dat ze gevolgd werd. Maar ik stond wel mooi weer buiten. Ha. Wie niet zichtbaar is moet slim zijn.
Vanmorgen ben ik vier keer teruggelopen naar huis omdat ik iets was vergeten. Zondag zag ik bijna een Frans ontbijtje aan mijn neus voorbijgaan omdat ik was verdwaald in het hotel. Gisteren vergat ik de soepgroenten voor de groentensoep. Ik ben nogal verstrooid en heb altijd erg veel moeite met me ori?nteren en mijn aandacht overal bijhouden. Sommige mensen vinden dat charmante of vertederende eigenschappen, anderen vinden het bruut irritant gedrag, helemaal in combinatie met mijn dove linkeroor. Hoe dan ook, ik kan er niks aan doen. Nu we het toch over 1976 hebben, een verhaaltje van vroeger, toen de gordijnen nog oranje met paars en bruin waren.
Mijn vader heeft het niet zo op leraren en andersoortig onderwijzend personeel. Waarom hij dan degene was die die ene keer mijn ouders vertegenwoordigde op een ouderavond toen ik nog op de lagere school zat, weet eigenlijk niemand, maar het was zo. “Charlotte doet niet echt mee in de klas,” zei de juf. “Ze zit de hele dag uit het raam te staren. Ze lijkt zo verstrooid en afwezig. Ze loopt altijd de verkeerde kant op. Is ze soms niet helemaal in orde?” Mijn vader antwoordde streng: “Juffrouw, maakt u zich geen zorgen! Mijn dochter is prima in orde. Ze is wat dromerig en verder is er niets aan de hand.” Hiermee was de zaak wat hem betreft geregeld. Hij schudde de hand van de juf en beende van haar weg. Vastberaden zwaaide hij een deur open en stapte de bezemkast in.
Dit waargebeurde verhaal speelt zich natuurlijk niet in 1976 af, want toen was ik 3 jaar, maar in 1979 of in 1980. Lang geleden is lang geleden, zeg ik altijd maar. Ik ben ook niet zo goed in jaartallen.
Place Stanislas 1976
Met dank aan Pieke.
Place Stanislas 2004
Met dank aan mijn vader.
Ik vind dat er in Nederland te veel daklozen zijn en dat er te weinig opvang is en dat daar nodig iets aan gedaan moet worden. Laatst raakte ik verzeild in een tamelijk oeverloze discussie over dit onderwerp. Het was op een weblog en ik wond me vreselijk op en dat terwijl ik normaal helemaal niet ge?ngageerd ben. Ik weet niet meer precies waar en wanneer het was, maar nog wel dat iemand tegen me zei: “Als je het je allemaal zo aantrekt, dan kun je toch ook gewoon een dakloze in huis nemen.” Het is duidelijk dat degene die dat zei niet goed snik is en ik ben dan ook maar gestopt met discussi?ren, want dit ging nergens meer over.
Ik zou nooit een zwerver in huis nemen. Ik kijk wel uit. Vandaag kreeg ik desalniettemin een dikke zoen van de verkoper van Straatnieuws. Dat ging zo. Ik liep tamelijk opgewekt door de stad en het was best wel koud. ‘Kom, ik loop de Hema binnen,’ dacht ik bij mezelf. ‘Daar is het vast warm en gezellig.’ Voor de winkel zag ik hem al staan. Maar ik had echt pas nog een Straatnieuws gekocht, die koop ik namelijk iedere maand voor de horoscopen. Bovendien zag het stapeltje tijdschriften dat-ie voor zich hield er wel erg kinderachtig uit. Ik was vast niet de doelgroep. Dus ik liep hem voorbij.
Ik had eraan moeten denken de andere uitgang te nemen, want als er iets te verkopen valt, ben ik altijd de pineut en het is makkelijker om iemand staande te houden die naar buiten gaat dan iemand die naar binnen gaat. Maar daar dacht ik dus niet aan. “Deze kopen!” riep de meneer blij toen ik het pand wilde verlaten. “Nee, dank u wel,” zei ik vriendelijk. “Jawel, is mooi!” riep de meneer blij. “Maar ik heb helemaal geen kinderen,” zei ik vriendelijk. Ik bleef toch staan, natuurlijk.
De Straatnieuws-meneer keek mij verbijsterd aan. Kinderen? Wie had het hier over kinderen? “Dit is ook voor grote mensen!” riep hij, nu uiterst verontwaardigd. “Kijk maar!” Ik keek en er stond toch heus heel groot Straatkinderkrant op de voorkant. De meneer bladerde snel door het tijdschrift en dacht waarschijnlijk dat ik alle kleurplaten daardoor niet zag. Hij begon een verward en onverstaanbaar verhaal bij het ganzenbordspel op de middenpagina, maar met zoveel overtuigingskracht dat ik niet meer kon volhouden dat het hier om een kinderblaadje ging. Dit magazine moest ik kopen, want het was voor grote mensen, zoals ik.
“Jij bent een Nederlands meisje,” constateerde de meneer terwijl ik een briefje van tien uit mijn jaszak viste. Dat kon ik beamen. “Lief”, vond de meneer. Daarop liet hij een handvol muntjes op de grond vallen. Ik mocht niet helpen, dus ik wachtte geduldig tot het geld bij bij elkaar geraapt had en mij m’n wisselgeld kon geven in talloze twintig- en vijftigcentmunten. Volgens mij kreeg ik te 20 cent te weinig terug, maar ik weet het niet zeker.
“Wacht!” riep hij toen ik aanstalten maakte door te lopen. “Hier! Voor het lieve meisje.” Hij stopte me een eurostuiver toe die hij nog tussen de stoeptegels had gevonden en tot mijn grote schrik boog hij zich voorover om me een flinke pakkerd te geven. Die landde ergens bij mijn oor. Ik vond het niet zo fijn.
Vanmiddag nog stond ik op het Place Stanislas. Ik wilde een mooie foto maken, maar de batterijen van m’n camera waren op. Dus moet u me dit keer op m’n woord geloven als ik zeg dat het een goed place was, Place Stanislas. De bezoeker die het leukst kan vertellen wie meneer Stanislas was en waarom-ie z’n eigen place heeft in Nancy, die krijgt een prijs. Ja, ik maak me er gemakkelijk vanaf vandaag. Maar dat geeft niet, want ik heb wangholteontsteking en dat is heus niet leuk.
Volgens mij heb ik voorhoofdsholteontsteking in m’n wang. Kan dat?
Ik schrijf vandaag een verhaal over virussen. Over echte virussen, zoals AIDS, SARS, kippenpest en natuurlijk influenza, oftewel: griep. Nu wil het ellendige toeval – dat voor iets dat niet bestaat altijd verdacht veel noten op zijn zang heeft, vind ik – dat ik zelf getroffen ben door een virus, namelijk, jawel, het griepvirus. Dat zorgde dit hele weekend al voor koorts, benauwde hoestaanvallen, keelpijn en hevige, langdurige niesbuien. Ik zal u de details besparen, maar ik kan u vertellen dat het bepaald een onsmakelijk gebeuren is, zo’n niesbui.
Voor veel problemen ken ik maar ??n oplossing: negeren. Dat vind ik toch altijd zo’n goed idee. Vanmorgen ging ik daarom naar mijn kantoor, goed gemutst en gesjaald en getruid, dat wel, maar verder alsof er niets aan de hand was en ik helemaal niet ziekjes was. Ik ontdekte dat koffie net gepureerd karton met water is, als je smaakpapillen zijn uitgeschakeld. En dat de kwaliteit van het toiletpapier er aanzienlijk minder is dan thuis, maar dat je ook Labello op je neus kunt smeren als-ie na een tijdje schraal en pijnlijk aanvoelt. De slijmproductie in mijn luchtwegen kwam opeens pas echt op gang en het verwerken van het resultaat ging gepaard met mooie snuit- en snotterconcerten. Na een schitterende vastzittende hoestsolo opperde kantoorgenoot H. voorzichtig: “Ehm, moet je niet naar bed als je zo ziek bent?”
Ik ben thuis en ik schrijf vandaag een verhaal over virussen. Eerst maar eens een dutje doen. En o wee als ik erachter kom wie mij met dit griepvirus heeft besmet. Die ga ik schoppen. Als ik weer beter ben.
Die onterechte zes kon ik maar niet uit mijn hoofd zetten. Met een boos gezicht ging ik wat weblogs lezen.
Ik kwam terecht op HvdS. Een log alleen maar over communicatie door - ik weet niet precies door wie. Het bovenste stukje
was geschreven door ene nar en het leek me een man. Nu zijn mannen die
het de hele tijd maar over communicatie willen hebben vaak sowieso al
saaie drollen. Deze communicatiespecialist legde ons op een nogal
warrige manier uit dat veel te veel loggers het over oninteressante
dingen hebben, zoals een verhuizing of het repareren van het toilet.
Dat boeit de lezers niet, meende hij. Hij zei: "De loggers maken de
klassieke fout: dat ze niet uitgaan van de leesbehoefte van de
bezoeker, maar van wat ze de bezoeker graag willen vertellen." Nou,
dacht ik. Die fout maakt-ie dan zelf toch zeker ook. Want wie is er nou
ge?nteresseerd in wat nar van andere loggers vindt? Niemand! Ha! Toen
ik dat eenmaal had bedacht, voelde ik me stukken beter.
Overige wetenswaardigheden: vandaag deed ik boodschappen en de was,
bracht ik lege flessen naar de glasbak, maakte ik de keuken schoon,
nieste ik 74 keer, haalde ik 354 keer mijn neus op en snoot ik hem 53
keer (in plus minus een halve rol toiletpapier). Nu ga ik een glas wijn
inschenken en een briesoepje in elkaar knutselen.