Ik ben helemaal niet assertief. Laatst heb ik me laten afschepen met een gestoomde makreel, terwijl ik helemaal naar de viskraam aan het andere eind van de stad was gereden voor de verse die er praktisch naast lag. Als iemand een leeg frietzakje op de achterop van mijn fiets zou leggen, terwijl ik erbij stond, zou ik wachten tot de dader de hoek om was en dan het zakje in de prullenbak gooien. Mijn iBookje staat al meer dan drie weken in Ierland te wachten op een onderdeel, terwijl mij was beloofd dat hij binnen vijf werkdagen gerepareerd zou zijn. Zo’n assertiviteitscursus – iedereen heeft het er altijd over, maar ik weet niet eens of ze wel bestaan – zou voor mij volkomen zinloos zijn. Ik zou braaf assertief doen in de les, omdat ik niet assertief genoeg ben om te zeggen dat ik het onzin vind.
Een keer in mijn leven ben ik assertief geweest, tegen de KPN was dat. Sindsdien sta ik op de zwarte lijst van vervelende klanten. Als ik nu een vraag of een klacht heb en ik bel de Klantenservice van KPN, word ik zodra ze mijn klantnummer horen, twaalfhonderd keer doorverbonden en dan verbreken ze de verbinding. Met assertiviteit kom je nergens. Domheid loont.
Vrijwel dagelijks rijd ik een klein stukje (het is zo’n honderd meter) waar eigenlijk alleen bussen en vergunninghouders mogen rijden. Dat doe ik omdat ik, als ik de legale route zou volgen, een kwartier langer onderweg zou zijn. Vroeg of laat word ik aangehouden door een agent. Agenten zitten hier namelijk in groten getale in de bosjes om alle deelnemers aan het verkeer op minieme overtredingen te betrappen en op de bon te slingeren. Als dat gebeurt, dan zet ik grote onschuldige ogen op. ‘Maar agent’, zeg ik dan. ‘Ik h?b toch een vergunning!’ Zeker weten dat ik ermee wegkom.
Niet als Hiram naast me zit, natuurlijk. Die heeft een veel te intelligent hoofd. Dan gelooft zo’n politieman nooit dat wij denken dat onze parkeervergunning in de hele stad geldt en voor alles. Ook niet als de agent die me aanhoudt een vrouw is, want zij doorziet mijn truc meteen. Maar in het ideale en meestvoorkomende geval, agent is man en ik ben alleen, kom ik ermee weg. Voor andere verkeerssituaties heb ik geoefend op het regeltje: ‘Maar agent, ik h?b toch een bestemming!’
En ik ben niet eens blond. Als ik blond was geweest, had ik nog veel meer kunnen maken. Ik las ergens dat uit een onderzoek is gebleken dat blonde vrouwen het gemiddeld verder schoppen dan brunettes. Zelfs als het blond uit een potje komt. Dat heeft niets met seks te maken, het komt doordat mannen denken dat blonde vrouwen een beetje dom zijn. ‘Ach, zij mag natuurlijk ook naar die functie solliciteren,’ denken ze dan. ‘Ze krijgt die baan toch nooit. Ze is hartstikke blond.’ En als ze dan zijn voorbijgestreefd door zo’n dom blondje, is het te laat. Er zijn nog altijd blonde vrouwen – u kent ze wel – die keer op keer met een woedende blik in de ogen, gefrustreerd en humorloos, de domme-blondjes-mythe proberen te bestrijden. Die zijn pas echt dom.
Er zijn Dutch Bloggies. Dat zijn een soort weblogverkiezingen. Ze zijn erg incrowd en erg onbegrijpelijk, maar ook erg belangrijk! Eerst moet je hopen dat je genomineerd wordt. En heb je het eenmaal zover geschopt – zelfs in verschillende categorie?n – dan kunnen de mensen op je stemmen. Hier. Je kunt natuurlijk ook op jezelf stemmen, ??n keer, want ze kijken naar je ip-nummer, vanwege fraude. Maar een stem is een stem. Het is wel een beetje sneu, op jezelf stemmen. Vorig jaar heb ik het gedaan, hoor. Toen won ik geen Bloggie. Dat was mijn straf, waarschijnlijk. Gelukkig kon de vernedering van mijn eigen url aanklikken me dit jaar bespaard blijven. Mijn lief is immers ook genomineerd. In alle categorie?n waarin hij wordt genoemd, stemde ik netjes op hem. In de categorie?n waarin hij niet staat en ik wel, koos ik voor iemand anders. Als hij thuiskomt, zeg ik dat hij meteen overal op mij moet stemmen, dacht ik bij mezelf. Dan is het weer gelijk!
Ik was even vergeten dat hij hetzelfde ip-nummer heeft als ik.
Een nogal thematisch stokje, dat van Frans. Bij het beantwoorden van elke vraag kwamen ergernissen aan het licht, waarschijnlijk omdat hij zich zelf zo ergerde aan het stokjesding, zoals het ook hoort als je een echte weblogger bent. Eerst vroeg hij om mijn allerallergrootste moordlustopwekkende ergernis, vraag twee ging over verboden en geheime ergernissen en vraag drie, dat is al een ergernis op zichzelf.
Stel: je bent chef van een terreurbende, en je hebt de hand weten te leggen op een flinke hoeveelheid semtex. Wie of wat zou je opblazen, en waarom?
Als ik werk kijk ik uit op het Griftpark. Dat vond ik altijd erg leuk. Het Griftpark is dan misschien niet het mooiste park ter wereld, maar het uitzicht was ok?. Wandelende mensjes, bomen, groen, water. Ik vond het goed. Echter! Een paar onverlaten hebben besloten dat er langs de rand, pal voor mijn neus een gigantisch appartementencomplex moet komen, met alleen maar poepdure woningen bovenop een hele grote parkeergarage. Al maanden wordt eraan gebouwd. Met de kerstdagen stond er een torenhoge hijskraan, die helemaal versierd was met kerstboomverlichting. Nou vraag ik je! Dat is toch vreselijk? Ze zijn nu al de zesde of de zevende verdieping aan het metselen, maar het ziet er niet naar uit dat ze bijna klaar zijn. Misschien wordt het wel twintig hoog! Dan komt er geen straaltje zonlicht mijn kantoor meer binnen! Ik weet wel waar ik mijn semtex ga neerleggen. Aan de fundamenten van dat stomme gebouw.
Maak de volgende zin af en wees eerlijk: “Ik zou het eigenlijk niet mogen zeggen, maar…”
Ik zou het eigenlijk niet mogen zeggen, maar ik vind dit een heel gemene vraag van Frans. Ik weet genoeg goeie antwoorden, hoor. Allemaal dingen die eigenlijk niet zou mogen zeggen. Over vervelende reageerders, over andere webloggers die ik raar en saai en vervelend vind, over debiele webloggebruiken. Maar ik wil geen ruzie. Dus ik ga het lekker toch niet zeggen. U moet het allemaal maar raden.
Waarom ben jij eigenlijk niet beroemd, of steenrijk?
Dat is dan weer wel een hele goede vraag! Waarom ben ik eigenlijk niet beroemd, of steenrijk? Ik weet het zelf ook niet. Ik zou het wel al moeten zijn. Volgens de planning woonde ik al lang in een kasteel en reed ik in een zilverkleurige Porsche. Maar ik woon in een klein oud huisje en ik rijd in een lekke rode Golf. Misschien dat een Dutch Bloggie helpt. Om beroemd te worden. En dan nog steenrijk. Hoe zal ik dat eens gaan aanpakken?
Ik heb twee stokjes ontvangen en eigenlijk zou ik dus maar liefst vier webloggers moeten lastigvallen met vragen. Maar dat vind ik echt overdreven. Mijn stokjes fuseren tot een stokje en ik gooi het naar Lijn en Hiram. De vragen:
Op welke bekende acteur of actrice lijk jij het meest en waarom?
Wat is de raarste vraag die iemand je ooit gesteld heeft en wat was het antwoord?
Waar heb je spijt van?
C: Wie zal ik eens opblazen met semtex?
H: Tja.
C: Moeilijk, h?.
H: Het is niet eenvoudig.
C: Ik ben helemaal niet zo agressief aangelegd.
H: Nou…
C: Echt niet!
H: Nee, eigenlijk niet.
C: Dat dacht ik ook.
Het is duidelijk. Ieder stokje zal mij voortaan ten deel vallen en het is allemaal mijn eigen schuld. Ik ben bang dat u de komende tijd toch echt te weten zult komen welke cd er nu in mijn cd-speler zit, welke webloggers ik graag wil ontmoeten, welke smurf ik ben en welke fruitsoort, wat ik lees op de wc en hoe ik mezelf zou beschrijven in vijftien woorden. Ach, weet u wat? Ik beantwoord die vragen nu meteen even, om iedereen voor te zijn, en dan zal ik u vertellen over de andere stokjes die ik ontving.
In mijn cd-speler zit La Musica della Mafia, maar hij staat niet aan, want ik kijk tv. Er is een film met Melanie Griffith, die zojuist haar man heeft omgebracht. Het zal wel Melanie Griffith-night zijn vanavond, want net zag ik er ook al een. De meeste webloggers die ik graag wil ontmoeten, heb ik al eens ontmoet. Ze zijn leuk. Ik ben natuurlijk smurfin, wat dacht u dan? En een mandarijn. Op de wc lees ik Blvd. Vooral voor de columns van Cindy Hoetmer, want Cindy Hoetmer is geweldig. Ik wou dat ze een weblog had. Vijftien woorden in willekeurige volgorde: schrijven, chaotisch, netjes, familie, zelfstandig, cijferprobleem, vriendinnen, drank, poezen, Hiram, fanatiek, gezelligheid, koken, lezen, dertig, weblog.
Ik kreeg het eerste drie-vragen-stokje van Dorine. Met een half oog kijk ik overigens nog steeds naar die film met Melanie Griffith en hij is best grappig. Beter dan de vorige. Het drie-vragen-stokje werkt zo: je beantwoordt drie vragen en vervolgens bedenk je drie nieuwe vragen en die stuur je door naar twee andere webloggers. Hiram zegt intussen allerlei hele wijze dingen aan de telefoon. Ik vang onder meer op: “Verhuizen naar Duitsland, dat kun je van geen beschaafd mens verlangen.” Nou, dat vind ik nog eens verstandige taal! Ik moet er niet aan denken, zeg. Het zijn goeie vragen, die Dorine mij stelt en ik zal ze eens even goed beantwoorden.
In hoeverre kijk je anders tegen het leven aan nu je samenwoont met een filosoof?
Er worden dus de hele tijd allerlei wijze dingen gezegd in mijn huis. Nu ben ik zelf ook ontzettend wijs, dus wat dat betreft is er weinig veranderd. Alleen voorheen bedacht ik vooral zelf wijze dingen, in mijn hoofd. Nu zit ik gewoon fijn een film te kijken, zonder ergens over na te denken, terwijl ik op de achtergrond allerlei wijsheid hoor. Dat is denk ik wel het grootste verschil. Dat ik zelf niet meer de enige ben die wijsheid verkondigt. U moest eens weten welke diepgravende gesprekken wij hier aan de ontbijttafel voeren!
Gijs of Dirk?
Gijs.
Omschrijf je (denkbeeldige) zusje.
Ik heb helemaal geen zusje, ook geen denkbeeldig zusje. Toen mij laatst werd gevraagd of ik het niet jammer vind dat ik geen zus heb, luidde het antwoord: nee. Ik heb broers, vier, dat vind ik wel genoeg. Maar had ik een zusje gehad, dan kon je natuurlijk met haar lachen. Er zijn niet zoveel meisjes die heel grappig zijn, maar ze zijn er wel, en mijn zusje zou zo iemand zijn.
Ik heb nog een drie-vragen-stokje gekregen van Frans. Hij heeft zo mogelijk nog moeilijker vragen gesteld. Als u zich afvraagt wat ik aan het doen ben, ik denk na over wie ik zal gaan opblazen met semtex.
Ik heb een tante in Engeland. En twee nichtjes. De ene is ietsje ouder dan ik, de andere wat jonger. Heel lang geleden woonden ze nog in Nederland. Toen speelde ik met dat ene nichtje, de iets oudere. Zij won dan, maar dat is logisch, want ze was iets ouder. Toen ze naar Engeland gingen verhuizen, zijn we er nog wel eens geweest. Ze woonden in een heel groot huis. Ze hadden ook een zwembad en heel veel kippen.
Twee of drie jaar geleden zag ik mijn iets oudere nichtje weer voor het eerst weer in twintig jaar ofzo. Ze had een raar Engels accent. Verder was er niet zoveel veranderd. We gingen drinken en zij won.
Gisteren kreeg ik een mailtje met bijlage van mijn tante uit Engeland met als subject Jeugdfoto. Ik kon het nog net tussen alle virus-mailtjes uitvissen. De bijlage was – zoals het subject al deed vermoeden – een foto van mij en mijn iets oudere nichtje toen we nog klein waren. Het bijschrift luidde: Mocht Hiram denken dat je als kleutertje een schatje was, hierbij het bewijs van het tegendeel. Ik weet niet of Hiram denkt dat ik een als kleutertje een schatje was. Maar ik zal hem deze foto eens even laten zien. Dat-ie weet dat je met mij geen grapjes maakt!
I’m bad.
H: Na na.
C: Tuut tuut.
H: Waarom doe je tuut tuut?
C: Waarom doe jij na na?
H: Ja, dat weet ik niet.
Weet u hoeveel virus-mailtjes ik gisteren heb ontvangen?
Eenmanszaken zijn net studenten. ‘t Zijn viezeriken. En lapzwansen. Ze komen en gaan wanneer het hen uitkomt, soms zijn ze dagenlang onvindbaar, soms komen ze om vier uur ‘s middags binnendwarrelen en soms werken ze nachten achtereen en hele weekenden door. Dan hebben ze tentamen, maar nu heet het deadline. Ik werk in een raar gebouw. Het zit helemaal vol met eenmanszaken.
In veel opzichten lijkt het op een studentenhuis. We stechelen over de energierekening en over de naambordjes die bij de bellen hangen, over het servies en de toiletten. Eens in de zoveel tijd is er een bewonersvergadering en natuurlijk ergeren we ons unaniem aan die ene die nooit komt opdagen. Op het prikbord in de hal hangen lijstjes. Daarop kun je je bijvoorbeeld opgeven voor de volgende vergadering of voor de lenteborrel.
Er hangt ook een lijstje waarop je je naam kunt schrijven als je iets hebt gedaan. Het papier bij het oud papier gezet of de theedoeken gewassen. Als je iets doet, wil je immers ook dat de rest weet dat jij bij de goeden hoort, die iets doen. Mijn naam stond tot nu toe niet op het lijstje en dat stoorde me behoorlijk. Tijdens de lenteborrel gisteren – het was geloof ik na de derde cocktail – beloofde ik daarom dat ik de ijskast zou gaan schoonmaken.
We hebben een gemeenschappelijke ijskast. Die staat in het keukentje en iedereen mag de dingen die hij of zij koel wil houden erin zetten. Ik heb in een heel ranzig studentenhuis gewoond. Het was eigenlijk een kruising tussen een studentenhuis en een kraakpand. Kakkerlakken in de douche enzo. Ik heb dikke lagen aangekoekte etensresten van het fornuis gebikt. Soms trof ik in de koelkast een pannetje met grauwe vettige pap aan, wat bij navraag ooit een macaroniprutje was geweest. Melkpakken waarvan de inhoud een brokkige klont was geworden. Maar toen was je student, h?. Dat hoorde erbij.
Ik zag er erg tegenop. Ascii-art was opeens heel belangrijk. Vanmiddag om vier uur begon ik toch dapper aan het schoonmaken van de koelkast in het gebouw. Die was niet minder smerig dan de koelkast in het ranzigste studentenhuis waarin ik ooit heb gewoond. Ik en mijn kantoorgenoten hielden al weken ons neus dicht als we er iets uit wilden pakken of in wilden leggen. Het was dus de hoogste tijd dat iemand zich er eens op wierp. Maar waarom ik dat toch moest zijn, is me eigenlijk een raadsel.
Ooit – ik denk dat het in 1998 was – heeft iemand een fles limonadesiroop op het bovenste plankje gelegd en die is in de loop der jaren gaan lekken. Alles wat eronder lag, was bedekt met een laagje stroperige donkerroze plak. Ik trof uiteenlopend boterhambeleg aan in uiteenlopende staat. Een aangebroken pakje gesneden schouderham was zover in ontbinding dat er een straaltje riekend vocht uitliep op het moment dat ik het oppakte. Ik maakte een potjes open waarin beschimmelde mosterd en beschimmelde pindakaas zaten. Zowel aan mosterd als aan pindakaas worden volgens mij zoveel conserveringsmiddelen toegevoegd, dat beschimmelen ?berhaubt niet mogelijk is. Maar wel in de koelkast van ons gebouw.
Er waren twee flessen witte wijn waar iemand heel studentikoos met balpen z’n naam had opgeschreven, maar nu dan z’n bedrijfsnaam. Daar werd ik heel recalcitrant van. Alsof ik de hele tijd zit te speuren naar naamloze spullen van anderen om te jatten! Ik heb even geaarzeld, maar ze toch maar niet in mijn tas gestopt. Misschien doe ik het morgen nog. Als genoegdoening. Verder was er Coca Cola en Spa Rood in grote hoeveelheden. Allemaal flessen die voor de helft of driekwart leeg waren en houdbaar tot begin 2004. Ik weet niet welke marge voor frisdrank geldt en of dat dus heel erg is of wel meevalt. Maar ze namen veel ruimte in, dat wel, en ze plakten van de limonadesiroop. “Hebben jullie nooit van je moeder geleerd dat je eerst een fles leegdrinkt en dan pas een nieuwe openmaakt?” riep ik verontwaardigd naar een voorbijgaande kantoorgenoot.
Ik maakte een kokend heet sopje en gooide daar alle rekjes en plankjes en bakjes in. Ik maakte een ander kokend heet sopje om de plakkerige aangekoekte binnenkant schoon te schrobben. In de linkerbenedenhoek zat een blauwgrijze slijmerige substantie tegen de achterwand geplakt. Het was niet als zodanig herkenbaar, maar wel in zo’n keurig vierkantje dat ik vermoed dat het ooit een plakje kaas is geweest.
Na drie kwartier rook de koelkast heerlijk fris naar Ajax-bloemetjes en stonk de hele keuken. Er stond een vuilniszak vol met vergeelde pakjes margarine, maanden oude tapenade van groene olijven en zalmsalade, verschillende potten augurken en vele pakken sinaasappelsap, minstens een jaar over de datum. Omdat het zeer waarschijnlijk was dat de inhoud van de vuilniszak de vreselijke stank veroorzaakte, besloot ik hem naar beneden te brengen, samen met de zak uit de vuilnisbak die nog uitpuilde van de resten van de lenteborrel. En terwijl ik de trap afliep met een zak aan iedere zijde, bedacht ik dat het inderdaad precies zo was als toen ik nog in een studentenhuis woonde. De kutste klusjes zijn altijd voor mij.
We kwamen gisteren in het restaurant van Luden terecht. Dat was niet de bedoeling, want we wilden kort iets eten – niet te duur – zodat we snel weer terug konden naar het caf?, want daar zouden korte voorstellingen zijn. Het is namelijk Caf? Theater Festival in Utrecht. Maar omdat de brasserie vol was, mochten we aan een van de chique gedekte tafels zitten helemaal achter in het restaurant en toch kiezen van de brasseriekaart. Goed geregeld.
Met z’n vijven zaten we om een ronde tafel die eigenlijk voor zes bedoeld was. We werden scheef aangekeken door de gasten aan de andere tafels. Misschien omdat wij geen ruitjesbloezen en zijden sjaaltjes droegen of omdat onze tafel vol werd gezet met bakjes friet met mayonaise en grote malse biefstukken, terwijl zij flintertjes tong met limoensaus op enorme borden voor zich hadden staan, en torentjes van gefrituurde pastinaakstrookjes en minuscule driehoekjes aardappelgratin.
Eerst hadden we het over toneel en toen over familie en wat ik ervan vind dat ik geen zus heb en daarna ging het eindelijk over de liefde. Over voorbije liefde, beter gezegd, want we telden elkaars exen. Als je dertig of begin dertig bent, vind ik twee, drie, misschien vier exen normaal. Negentien exen vind ik absoluut buiten alle proporties. Een ex is iemand met wie je iets belangrijks deelde ooit, de jongen of het meisje van wie je toen dacht: daar ga ik oud mee worden. Negentien exen, hallo, de exclusiviteit gaat er wel af op die manier! Ik heb al moeite om mijn twee vroegere liefdes uit elkaar te houden, stel je voor dat er nog zeventien op mijn lijstje stonden.
Dat was ik dus met verve aan het betogen, toen met een donderend geraas de hele deftige tafel vol met bakjes sla en friet en mayonaise, lege borden en halfvolle glazen, instortte. De dikke poot in het midden die het tafelblad droeg, was simpelweg en volledig doormidden gebroken. De ravage was enorm. Alles lag op de grond in duizend scherven. Beduusd keken we elkaar aan met het lege tafelblad op ons schoot. Serveersters kwamen aangesneld. Eerst probeerden ze te redden wat er te redden viel, maar er viel helemaal niks te redden. “Het is niet zo erg,” zei E. tegen hen, maar de rest – Hollanders als we zijn – keek hem bestraffend aan en we veegden met overdreven geschokte gezichten de jus-spatten van ons gezicht. Hier moest toch minstens een gratis maaltijd uit te slepen zijn.
Om ons heen stonden hoge lege wijnkoelers. We verzamelden er drie om het tafelblad te stutten. Toen mochten we aan een andere ronde chique gedekte tafel gaan zitten helemaal voor in het restaurant. We sleepten onze jassen en tassen achter ons aan – als brasseriegast maak je geen gebruik van de garderobe – en de ruitjesbloezen en zijden sjaaltjes keken scheef en nu ook beschuldigend naar ons en namen nog eens een trekje van hun sigaar of een nipje van hun likeur. De serveerster vroeg of we een flesje wijn van het huis wilden. Het was even stil. We hadden geen tijd gehad om een strategie te bepalen. Een flesje wijn, dat is wel heel karig. Het was de schuld van E. Ok?. Terwijl we onze glazen nog eens vulden met gratis wijn, spraken we over KPN en goedkope vliegvakanties en foute getrouwde mannen. Mijn betoog over exen heb ik niet meer afgemaakt. Maar ik blijf erbij dat het belachelijk is, negentien exen.
H: Wie is Mariska Hulscher?
C: Brrr, brrrr. Whoeffo?
H: Wie is het?
C: Gggg, ggg, spuug, dat is een presentatrice.
H: Die is stom!
C: Oh ja?
H: Ja!
C: Gggg, ggg. Spuug.
H: En weet je?
C: Nee?
H: Ze is ook nog dom!
C: Oh ja.
H: En daar ga ik nu een stukje over schrijven.
C: Fatwa?
H: Pijpfitster!
Dat is nog een heel karwei, zo’n stokje! Nu begrijp ik waarom niet iedereen er onverdeeld gelukkig mee is. Je kunt maar beter gewoon een grappig stukje schrijven, want dat is zo klaar. Dit is geen spelletje meer, maar een boekenkastexamen! Poehee. Daar gaan we.
Opslag
Ik woon in een huis met heel veel hoekjes en nisjes en dat is erg gezellig, maar niet erg handig. Bijvoorbeeld omdat je nergens een grote boekenkast kwijt kunt. Daardoor staat mijn boekenverzameling verspreid door het huis. Zie foto’s. Er zitten verder weinig gedachten achter welke boeken ik waar neerzet. Behalve dan dat ik de boeken waarvoor ik me eigenlijk schaam boven de schuifdeuren zet, omdat ik denk dat daar toch nooit iemand kijkt. Helaas loopt iedere visite onmiddellijk naar de schuifdeuren om eens even te controleren wat ik daarop heb staan, dus ik heb altijd een hoop uit te leggen.
Aanschaf
Eens in de twee, drie maanden struin ik een paar uur door Broese en in het beste geval ga ik met een stapeltje boeken naar huis dat zo goed gelukt is dat ik niet kan kiezen in welk boek ik zal beginnen. Ik krijg ook veel boeken, maar ik weet niet of dat onder aanschaf valt.
Favoriete schrijver
Heb ik niet. Ik lees veel damesboeken. Rascha Peper, Tessa de Loo, Carol Shields, Fay Weldon, Nelleke Noordervliet, Amy Tan, Renate Dorrestein, Lisette Lewin en hoe heet ze nou ook alweer. Verder hou ik van thrillers, vooral in de vakantie. Ik heb alle boeken van Nicci French met plezier gelezen en ik ben ze allemaal weer vergeten, maar ik heb een vreselijke hekel aan John Grisham. Ik lees graag boeken van Zuid-Amerikaanse schrijvers en ik lees ook wel regelmatig Nederlandse schrijvers. Tussen mes en keel van Geerten Meijsing heeft heel veel indruk gemaakt, maar ik ben er nog steeds niet uit of ik het nu een goed boek vond of toch niet echt, al las ik het alweer zes jaar geleden. Andere boeken van Meijsing vond ik niks. Boeken die een tijdje enorm in zijn, zoals De verborgen geschiedenis en Het parfum, lees ik ook altijd, omdat ik denk dat als iedereen er vol van is, ik ze dan ook wel leuk zal vinden. Dat is dan vaak ook zo.
Favoriet boek
Lang was dat Honderd jaar eenzaamheid, maar er is ruimte voor een nieuw favoriet boek.
Vulles
Ik vermoed dat ik de boeken die zo nu en dan aan de deurknop van de voordeur hangen omdat ik te laat was om iets bij ECI te bestellen, niet leuk vind, daarom lees ik ze maar niet en zet ik ze nog in het cellofaan boven de schuifdeuren. Mannen komen van Mars, Vrouwen komen van Venus vond ik vreselijk, afschuwelijk, erg, naar, vervelend, bah, bah, bah. Connie Palmen en Adriaan van Dis vind ik allebei ook stom, maar ik heb wel alles van hen gelezen.
Tijd
Tijd?
Wens
Een nieuw favoriet boek. Kom maar op met de suggesties.
Niet op de foto, gelukkig wel in huis
Hiram en zijn boeken.
Niet op de foto, gelukkig niet in huis
In de ban van de ring.
Kindertijd
Toen ik klein was, was ik net zo’n allesverslinder. Ik had de hele Lotje-serie van Jaap ter Haar van mijn grote broer gekregen, ik had alle boeken van Pinkeltje en de Olijke tweeling, van Enid Blyton las ik De vijf, De dolle tweeling en nog meer kostschoolboeken, ik las alles van Guus Kuijer, alles van Evert Hartman en natuurlijk alles van Annie M.G. Schmidt. Minoes was mijn lievelingsboek. Toen ik een jaar of acht was las ik Charlotte’s web voor het eerst en ik weet nog dat de teleurstelling groot was toen de Charlotte in het boek echt een spin bleek te zijn.
Rare boeken
Een paar maanden geleden las ik Hartstikke beroemd van Ben Elton. Dat is leuk! Zeker voor wie – zoals ik – de eerste Big Brother-serie op de voet gevolgd heeft. Later las ik Zelfbeeld van Toby Litt omdat het min of meer hetzelfde genre moest zijn. Dat is een raar boek. In feite is het nog maar een
en in de
lees je allerlei commentaar van de redactrice die zelf ook een rol speelt in het verhaal. In het begin vond ik het wel leuk, maar vooral raar. Na een tijdje ging het toch vervelen.
Bijzonder moment
Hmm. Daar weet ik zo even het antwoord niet op.
Volgende!
Het boekenkaststokje gaat uiteraard naar Carin. Want wat is nu een webkast zonder boeken? En nu maar hopen dat ze ‘m wil.
In deel drie van de cursus Hoe word ik een echte weblogger wil ik het met u hebben over testjes. Webloggers zijn dol op testjes. Zelfkennis is machtig en sinds ik een weblog heb, ken ik mezelf pas goed. Zo weet ik dat ik de karaktereigenschappen heb van een mokkapunt en niet van een slagroomtaart, dat ik 29 procent gay ben en voor 62 procent bitch, vier kinderen krijg waarvan de eerste een meisje zal zijn, dat ik heus een kaasje ben en wel een kruidenkaasje met bieslook, welke Annoying Internet Entity ik ben, hoeveel procent ik Cher ben en van welk Winnie the Pooh-figuur ik het meest wegheb, dat ik van de drankjes een biertje ben en van de schoenen een roze Dr. Martens.
Als weblogger plaats je dus eens in de zoveel tijd, als je het even niet meer weet, een testje op je log. Maar – let op – altijd met een vies gezicht. Want webloggers zijn dol op testjes, maar willen dat niet laten merken aan andere webloggers. Een testje is namelijk net zoiets als een stokje. Eigenlijk moet je erop neerkijken. (Overigens maakte ik uit de reacties op het stokje-stukje op dat er webloggers zijn die stokjes botweg weigeren! Dat wist ik helemaal niet. Weigeren! Dat is beyond blas?!) Daarnaast is goed om het oneens te zijn met de uitkomst van het testje. Zelfs al zegt die alleen maar dat je een beetje op Grote Smurf lijkt.
Laatst hadden we een IRL-bezoeker. Eentje die in het echt bij ons thuis thee kwam drinken. De bezoeker vroeg mij: “Wat is je Myers-Briggs-type eigenlijk?” Ik wist niet waar hij het over had. Hij vertelde dat je op internet vragen kon beantwoorden om te weten wat voor persoonlijkheid je hebt volgens een bepaalde wetenschapper en dat hij van iedereen die hij kende het Myers-Briggs-type probeerde te onthouden. Ik dacht: ‘Joepie, een testje!’ en keek daar gewoontegetrouw smerig bij.
Ik beantwoordde 72 vragen met yes of no en klikte nog vrolijk op submit. De test is er trouwens ook in verkorte versie speciaal voor webloggers. U bent een ISFJ, stond er en klik hier voor de persoonlijkheidsbeschrijving. Ik las: ISFJs are characterized above all by their desire to serve others, their ‘need to be needed’. Wat?! Echt niet! Ik ben helemaal geen ISFJ! Ik heb een hekel ISFJ’s! ISFJ’s zijn van die types die je de hele tijd maar in bad en in bed willen stoppen en je meewarig aankijken als je een sigaret opsteekt of een flink glas wijn inschenkt. Ik was bozer dan een ISFJ ooit zou worden en ging niet verder met lezen.
Toen deed Hiram dezelfde test en vervolgens konden we uitrekenen hoe goed onze types bij elkaar pasten. Dat was meer dan 85 procent. “Nou,” zei hij, “dat ziet er goed uit.” “Ja, dikke vette kunst!” riep ik uit. “Met een ISFJ is het heus niet moeilijk om een relatie te laten slagen. En ik zeker de hele tijd achter je aan lopen met pleisters en koekjes, terwijl jij alleen maar idealistische praatjes zit te houden!” Om te bewijzen dat ik absoluut geen ISFJ ben, liet ik hem die avond de pizza bestellen.
De moraal van dit verhaal is natuurlijk dat je best zo nu en dan een testje kunt plaatsen als je het even niet meer weet, maar dat je er niks van moet geloven.
Ik heb een stokje gekregen van Oase. Als u niet weet wat ik met een stokje bedoel, bent u waarschijnlijk geen weblogger. Ik ga het aan u uitleggen.
Als je een weblog hebt, hoor je – of je nu wilt of niet – bij de webloggers. Een soort van scene hebben we, waarin zich natuurlijk ook weer stoere en minder stoere clubjes vormen. Het heeft met linken en gelinkt worden te maken en met reageren en wie d’r dan weer bij jou reageert, met hits en referers, met je domeinnaam en of daar wel of niet een streepje in voorkomt. Best ingewikkeld allemaal. Ik wil er heel graag bijhoren.
Ik wil namelijk altijd overal bijhoren, waarschijnlijk doordat ik vroeger op school vond dat ik nergens bijhoorde. In elk geval niet bij het stoere clubje waar ik bij wilde horen. Sindsdien richt ik ook voortdurend mijn eigen clubjes op, waar ik dan zelf natuurlijk het meest bijhoor. Zo heb ik aan de wieg gestaan van de Gekke Mutsen Club, de Ban de Man Club en De Vijf, clubs die overigens allemaal alweer ruimschoots ter ziele zijn.
De weblog-scene, dus. Wij hebben ons eigen magazine, onze eigen Oscars, onze eigen feestjes en ook onze eigen spelletjes. Het spelletje met de stokjes gaat zo.
Een weblogger bedenkt een vraag en geeft er meteen zelf antwoord op. Bijvoorbeeld: Welke cd zit er nu in je cd-speler? Welke webloggers zou je graag willen ontmoeten? Welke smurf ben jij? Vergelijk jezelf met een fruitsoort. Wat lees je op de wc? Beschrijf jezelf in vijftien woorden. Enzovoort. Vervolgens noem je het een stokje en gooi je het naar een andere weblogger die de vraag dan op zijn weblog uitgebreid of minder uitgebreid beantwoordt en het stokje weer verder werpt. Zo houden we elkaar lekker bezig. Estafette voor bureaustoelers.
Maar ik heb dus nog nooit een stokje van iemand toegeworpen gekregen! Vandaar dat ik nog altijd vind dat ik er niet echt bijhoor, terwijl ik toch al meer dan twee jaar log, her en der gelinkt word, geabonneerd ben op het magazine en op andere weblogs altijd vele snedige commentaren geef. Vaak zag ik stokjes rondwaren en als ze dan bij mij in de buurt kwamen, hoopte ik dat iemand op het idee zou komen om er een aan mij te geven, ik bedacht alvast de leukste antwoorden op de doorgaans behoorlijk suffe vragen, maar het zoefde altijd mijn neus voorbij naar een of andere weblog-uithoek waar ik nooit kom en niet eens wil komen.
Vandaag is de heuglijke dag waarop ik een stokje opving! Van Oase dus, die ik laatst nog tegenkwam in de kroeg. Vanaf nu hoor ik er echt definitief en officieel bij! Hoera! Ik heb een stokje! Overigens is het ook gebruikelijk onder webloggers om heel blas? te doen over die stokjes, diep te zuchten bij ontvangst en het met tegenzin weer naar een ander te werpen, maar daar doe ik dan weer niet aan mee. Ik reageer met gepaste vreugde, zoals u ziet. Nu moet ik natuurlijk ook iets met het stokje gaan doen. Het is de bedoeling dat ik een foto van mijn boekenkast plaats en allerlei moeilijke vragen over de inhoud beantwoord. O jee. Ik heb geloof ik niet eens een echte boekenkast.
Wordt vervolgd.
Maar alleen als ik het heel erg naar m’n zin heb, natuurlijk. Nu ligt iedereen te slapen, maar ik ben allang wakker. Net als u. Waar zullen we het eens over hebben?
Mijn moeder heeft broze botten en daarom moet ze eigenlijk iedere dag drie kwartier wandelen. Soms wandelt er iemand met haar mee. Bijvoorbeeld ik. Ik weet niet of ze het concept wandelen helemaal doorgrondt. Mijn moeder doet alles altijd keihard en ze wandelt ook keihard. Marcheren is het meer. Maar da’s vast ook goed voor je botten.
Zo marcheerden wij vandaag door de Mari?nwaerdt. Ik ben niet zo’n enorme natuurliefhebber, ik hou meer van lezen. Maar ik moet toegeven dat het daar wel mooi is. Weilanden, bomen, modder, kortom: natuur. U kent het wel. Was ik George van baviaan.net geweest, dan had ik nu een paar mooie foto’s laten zien, maar ik ben Charlotte van Charlottes web en die laat tijdens zo’n natuurwandeling haar camera lekker in haar jaszak zitten.
Toen verdwaalden we. “Hier moet de Annemariedreef zijn,” zei m’n moeder steeds en dan was er een heel andere dreef. “Nu weet ik het!” zei ze. “De Annemariedreef is een zijweggetje van dit laantje met de I love you-bomen.” In de Mari?nwaerdt is namelijk een laantje met I love you-bomen. Dat zijn bomen waar een boel mensen al tientallen jaren in de schors kerven van wie ze houden. Dat vind ik dan wel weer leuk. Lezen.
Op de eerste boom stond zoiets:
Ik houd van Zus.
6-12-‘44.
Wow! Vijftig jaar geleden, hee! In de oorlog! Iemand hield van Zus! Zo lazen wij alle bomen. De oudste liefdesverklaring die we konden ontcijferen was uit 1933. Maar er waren er ook uit 1941 en uit 1979 en uit 1993. Hoe ouder, hoe beter, natuurlijk. 1953 klinkt zo al veel romantischer dan 1987. Die van na 1980 telden eigenlijk niet eens.
Vroeger waren de mensen bedrevener in het kerven, dat was wel duidelijk. De recente boodschappen waren vergeleken met de oudste maar slordig en hoekig. Tegenwoordig heb je natuurlijk ook sms en hoef je niet meer per se via de bomen met elkaar te communiceren. Nu tiep je gewoon: HEY ZUS ILU LD!!! Klaar. Wel een stuk effici?nter.
De Annemariedreef hebben we niet meer gevonden en ik betwijfel zijn bestaan.
C: Zeventien, waardoor is dat deelbaar?
H: Nergens door, zeventien is een priemgetal.
C: Verdorie, waarom heb ik nu altijd te maken met priemgetallen?
Ik ontmoette C. in de brugklas. Ik was 12 jaar en zij ook. Ik lag niet zo goed bij een paar van mijn klasgenoten en zij lag niet zo goed bij weer andere klasgenoten. Zo kwam het dat we op een dag noodgedwongen naast elkaar in een bankje zaten tijdens de tekenles. Op dat moment werden we beste vriendinnen. Het is al 18 jaar geleden.
Wat ik toen een van de leukste eigenschappen vond van C. was dat ze zo onbedaarlijk kon lachen. Dan liepen de tranen over haar wangen en schudde en schokte haar hele lijf. Tot ons eindexamen zaten we bij elkaar in de klas, we gingen samen op vakantie en we gingen samen naar de disco.
In vijf havo kreeg ik verkering. Opeens moest ik mijn tijd verdelen tussen C. en mijn vriendje en dat was niet eenvoudig. We deden wat minder samen en na het examen vertrok C. voor een jaar naar Spanje. Ik ging in Tilburg studeren en we verloren het contact.
Jaren later – ik woonde inmiddels in Amsterdam en zij in Utrecht – belde ze me op. We concludeerden dat we elkaar vijf jaar niet hadden gezien en maakten een afspraak. Dat was raar, maar wel leuk. C. had een drukke baan waarvoor ze veel moest reizen en ik was net begonnen als tekstschrijver. Zo nu en dan zagen we elkaar.
Toen liep mijn relatie op de klippen en botste ik met mijn Fiat Panda heel hard op een grote BMW. In mijn herstelperiode belde ik C. Ze was thuis, want ze was gestopt met werken. Eindelijk wist ze waar de pijn in haar handen en polsen en enkels al die jaren vandaan kwam. Ze was bij een specialist geweest en die constateerde dat ze reumato?de artritis had. Dat zijn andere woorden voor: u zult uw leven lang pijn hebben en nooit meer normaal kunnen werken.
Ik verhuisde naar Utrecht en we kwamen bij elkaar om de hoek te wonen. Na een of twee weken zagen we elkaar alweer een paar keer in de week. We gingen bij elkaar eten en samen naar de kroeg. We belden dagelijks.
C. is lief en dapper en gezellig en heel vaak bezorgd om mij. C. wint altijd alle spelletjes en weet overal de weg. C. heeft een hond en een vriend en woont al een tijdje niet meer bij mij om de hoek. We moeten elkaar vaker zien, C. en ik, en vaker praten. Onbedaarlijk lachen, met tranen en schudden en schokken, dat doet ze nog heel soms. Maar dat is misschien ook iets wat je afleert naarmate je ouder en wijzer wordt.
Ik ga vandaag een stukje schrijven over vriendschap, of liever gezegd vriendinschap. Vriendinschap is bijzonder en belangrijk. Ik ben voor vriendinschap. Als er iets is, staan ze altijd voor je klaar, vriendinnen. Dan kun je koffie of wijn komen drinken en uithuilen en proberen ze ongemerkt vieze muesli-repen met honing in je mond te proppen omdat ze het idee hebben opgevat dat je te weinig eet.
Beste vriendinnen, daar moet je er niet teveel van hebben. Ik heb er precies twee. De ene heet C. en de andere heet V. Natuurlijk hebben ze wel iets langere namen, maar omdat zij geen weblog bijhouden en misschien wel behoefte hebben aan enige privacy, noem ik ze C. en V. Ik vind dat netjes.
V. bijvoorbeeld, die vind ik zo lief en leuk en grappig, dat als ik geen vriend had gehad en als zij een man was geweest en niet samen met mijn broer, dan had ik verkering aan haar gevraagd. Maar ja, ik heb Hiram en zij is geen man en bovendien samen met mijn broer, dus die verkering zit er voorlopig niet in. Daarom is het juist zo fijn dat ze wel een van mijn twee beste vriendinnen is.
Wat ook leuk is aan vriendinnen is dat ze alles tegen je mogen zeggen, zonder dat je daar echt boos van wordt. Maandag sprak V. de opbeurende woorden: “Wat zie jij eruit! Je lijkt wel een junkie!” En vandaag zei ze: “Je kunt wel zien dat je wat beter geslapen hebt. Je hebt er meteen een soort van Lee Towers-kapsel van gekregen.” Mooi h?, vriendinschap.
(Hier geprutst. Via Bloody Hell.)
|
|