Schilderen is iets heerlijks. Serieus hoor. Ik ben nu al dagen aan het schilderen en ik kan het iedereen aanbevelen. Het is iets heerlijks. Therapeutisch ook. Stel dat je een beetje in de war bent en somber en met allemaal gedachtes in je hoofd die allerlei kanten opdwarrelen maar altijd weer op hetzelfde punt uitkomen en dat dat dan ook een heel rottig punt is: ga je huis schilderen. Dat helpt als een tierelier.
Kleur daar doe ik niet aan. Oh ja, nu denkt u natuurlijk: en de tuindeuren dan, die werden toch groen?! Ja, b?iten. Buiten doe ik wel aan kleur. Binnen moet alles wit. Spiertjewit. Ik ben al heel ver (bij de schuifdeuren) en er is inmiddels een soort witte rust in mij gevaren. Als u me nou zou zien zitten zou u meteen denken dat ik zo iemand was die aan zen en yoga en dat soort dingen doet, maar niets is minder waar. Ik schilder. En ik schilder net zo lang tot alles wit is.
Ik schilder de deuren en de plinten en de raamkozijnen en de vensterbanken en de planken en de kasten, ik schilder net zo lang tot alles wit is. Maar wat dan? Daar moet ik nog maar even niet aan denken.
Van binnen en van buiten, al de hele tijd. Dat u niet denkt dat ik geen enkele reden heb om geen stukjes te schrijven, want die heb ik heus wel: als ik ook nog eens stukjes ga schrijven komt er allemaal verf op m’n laptop en daar is niemand bij gebaat. U ook niet.
Ik was dus de buitendeuren groen aan verven en toen ging de bel. ‘Ha,’ dacht ik nog. ‘Daar zul je de hulpploeg hebben.’ Maar nee. Er stond een man voor de deur die ik niet kende en die er helemaal niet uitzag alsof hij van plan was mij te komen te komen helpen met verven.
‘Goedemorgen,’ zei ik.
‘Goedemorgen,’ zei de man.
‘Sorry dat ik u stoor.’ Hij keek schuldbewust naar de druipende kwast die ik nog in mijn hand hield.
‘Ik ben een kennis van uw buren hier zes huizen verderop. Ik heb net aangebeld, maar ze waren niet thuis.’
‘Oh,’ zei ik. Ik vond het niet zo vreemd. Het was immers gewoon een doordeweekse ochtend en misschien hebben die mensen ook wel een baan ofzo.
‘Tja,’ zei ik. En ik gebaarde met mijn kwast iets van: daar kan ik ook niks aan doen.
Dat begreep die man natuurlijk wel. Maar het zat zo, hij was net met de trein aangekomen in Utrecht en toen kwam hij er onderweg achter dat hij z’n portemonnee helemaal niet bij zich had! En nou dacht-ie: ik ben toch in de buurt, ik ga even langs bij die mensen van zes huizen verderop, die kunnen me vast wel wat geld lenen. Zijn ze d’r niet!
‘Tja,’ zei ik nog maar eens.
‘Oh,’ riep ik er achteraan. Want toen snapte ik opeens dat de man van mij geld wilde lenen.
‘Ik heb niks in huis, hoor! Helemaal niks!’
Ik gebaarde nul euro met mijn kwast.
‘Geen cent!’
Maar dat waren allemaal leugens. Want ik had best wat in huis. Op de tafel lag zelfs een briefje van vijftig. Misschien had de man dat wel zien liggen, door het raam, voor hij besloot precies bij mij aan te bellen. Hij keek me bedroefd aan en ook alsof hij best wist dat ik een beetje aan het jokken was. Nou, het kon me niks schelen, toevallig. Ik ben 31 en ik jok als ik dat wil.
‘Tja,’ zei ik maar weer. (Soms weet ik gewoon niks anders.)
‘Sorry.’
‘Geeft niks,’ zei de man.
‘Dan ga ik hier wel wachten tot ze thuis zijn.’
Hij wees naar het stukje stoep voor mijn deur alsof hij daar de komende uren nog wel zou zitten. Met honger en dorst en alles.
‘Nou dag!’ zei ik en ik deed gauw de deur dicht.
Eerst dacht ik nog: ‘Ha! Wat een lulverhaal! Mooi dat ik daar niet ingetrapt ben!’ Maar een minuut later voelde ik me alweer schuldig. En cynisch. En met vooroordelen. Maar goed. Die vijftig euro had ik nog, die hele man was al in geen velden of wegen meer te bekennen en verf is ook niet goedkoop nowadays. Dus toch maar beter dat ik er niet ben ingetrapt, zoals ik vroeger had gedaan, toen ik nog jong en na?ef was. Zo zie je maar weer. Blijkt het allemaal toch nog ergens goed voor te zijn, al is het een verschrikkelijk gedoe. Dat dan weer wel.
‘t Is natuurlijk allemaal maar bijgeloof, maar mooi dat mijn auto zojuist niet wilde starten, net toen ik alle verjaardagsboodschappen zou gaan doen. Ik bedoel maar. Dus ik bel de Wegenwacht, ik zeg: ‘Goedemiddag, mijn auto wil niet starten.’ ‘Oh,’ zegt de mevrouw van de Wegenwacht, ‘dan bent u niet de enige. ‘Het is hartstikke druk vandaag en de gemiddelde wachttijd is anderhalf uur.’ Dus ik zeg: ‘Zo hallo.’ ‘Ja,’ zegt de mevrouw, ‘dat komt door de regen, dan is er altijd veel meer pech.’
Nou, ik dacht er het mijne van. Zoveel pech, dat kan geen toeval zijn en de reparatie bij de Kwikfit was ook nog ongelofelijk duur en het ging niet eens erg quick.
Bij nader inzien is vandaag bijgelooftechnisch toch niet zo’n geschikte dag voor jong, wild en onbezonnen. Wat ben ik toch ook eigenlijk een mietje, h
Snel, snel, bedenk iets jong en wild en onbezonnens, dan ga ik het vandaag nog doen!
Met dit weer eet u natuurlijk ijskoude avocadosoep. Dat is namelijk wat u eet met dit weer, omdat dat heerlijk is. Verkoelend, verfrissend, pittig, enzovoort. Het is een soort hartig ijsje. U denkt nu natuurlijk: koude avocadosoep? koude avocadosoep? Hoe kom ik daar nu weer aan? Vrees niet! Ik geef u het recept! Nu meteen!
Koop alle ingredi?nten die u in de onderstaande alinea aantreft bij de supermarkt of bij de groentenboer of waar u dan ook doorgaans uw boodschappen haalt.
Snij wat bosuitjes in middelgrote snippers en bak de snippers een paar seconden in een scheut olijfolie in een soeppan. Gooi er een laag water bij van ongeveer twee centimeter en een of twee kippenbouillonblokjes (of groentebouillonblokjes als je vegetari?r bent). Schil een komkommer en hak hem aan stukken. Gooi de stukken in de soeppan. Giet er behoorlijk wat witte wijn bij. Tien minuten laten koken. Schil intussen drie of vier rijpe avocado’s. Ruik even aan wat er in de pan zit. Ruikt het inmiddels meer naar komkommer dan naar witte wijn? Zet dan het vuur uit en gooi de avocado’s in de pan. (De pit eerst eruit frutten, uiteraard.) Hup, de staafmixer ook in de pan en staafmixen maar tot er geen heel stukje komkommer of avocado meer te ontdekken is. Mik er nu een flinke hoeveelheid koksroom of slagroom bij en misschien nog een scheutje gewone melk om er een lichtgroene ondoorzichtige soep van te maken. Roer. Verbrijzel twee of drie gedroogde rode pepertjes tussen je vingers en strooi ze in de soep. Knijp het sap van een citroen door de soep. Lik je vingers af, knijp je ogen samen. Dat laatste gaat vanzelf, je hebt immers net eerst pepers verbrijzeld en vervolgens een citroen uitgeknepen. Voeg er nog een klein scheutje witte wijn aan toe en eventueel wat water als de soep nog te dik is. Proef. Constateer dat er nog wat zout bij moet. En misschien nog wat peper of zuur? Proef nog eens en gooi er net zo lang dingen bij tot je denkt: nu is het precies goed! Probeer je dan wel voor te stellen hoe het smaakt als de soep ijskoud is, want dat is wel iets anders. Laat de soep ijskoud worden. Ben je te laat begonnen, gebruik dan de diepvries op een handige manier. Opdienen met in iedere kom een klein rondje yoghurt in het midden, een blaadje munt en flink wat versgemalen zwarte peper.
Als je van grapjes maken houdt, dan kun je bij het opdienen nog zeggen: laat je soep niet warm worden. (Haha!) Maar dat hoeft niet, hoor.
|
|