Het ene moment liep ik nog zorgeloos van de supermarkt naar huis. Elegant zwierde ik de Super-tasjes heen en weer. Ik stapte vrolijk voort. Ik had op dat moment zelfs een deuntje kunnen fluiten, ware het niet dat mensen die deuntjes fluiten op zijn zachtst gezegd nogal eng zijn. Vaak blijken het achteraf psychopathische seriemoordenaars die zonder morele bezwaren hele families uitmoorden, denk bijvoorbeeld aan The Stepfather.
Maar mijn goede humeur kwam in de knel toen ik hem zag staan. Ik herkende hem niet meteen. Dat had een hint kunnen zijn. En inderdaad, al snel drong het me door: daar stond de jongen die ik nooit herken. Ik kom de jongen die ik nooit herken vaker tegen en telkens denk ik: waar ken ik hem toch van? En dan peins ik en pieker ik de hele weg terug naar huis, maar ik kom er nooit op.
Waarschijnlijk kom ik de jongen die ik nooit herken ook tegen op de plek waar ik hem wel herken. Waar hij de dingen doet die hij doet, in zijn natuurlijke habitat. Dat is dan waar ik hem van ken. Maar hoe vaak ik ook aan mijn hersenen heb gevraagd op zulke momenten even een notitie te maken voor later, de jongen die ik nooit herken blijft in zijn onherkenbare hoedanigheid opduiken. En nooit is er zo?n flits van: Hela ik weet het weer! Soms vraag ik mij af waar mijn hersenen zich ?berhaupt mee bezig houden op een doordeweekse dag.
Een lichte paniek sloeg toe. De afstand tussen mij en de jongen die ik nooit herken werd kleiner en kleiner totdat we slechts een paar millimeter van elkaar verwijderd waren. Een vaag ecologisch geurtje drong mijn neusgaten binnen. Er verscheen een blik van herkenning op het gezicht van de jongen die ik nooit herken. Terwijl ik zoveel mogelijk wederzijdse herkenning in mijn ogen probeerde te leggen, zei ik monter ?Hee hallo!? tegen de jongen die ik nooit herken. ?Jij ook hier!? liet ik er bijna op volgen, maar gelukkig zei ik dat niet hardop.
Intussen bad ik naar de hemel dat hij me niet staande zou houden voor een praatje. Waar moet je het over hebben met iemand die je niet herkent? Je kunt moeilijk zeggen ?Zeg, we groeten elkaar nu elke keer wel en dergelijke, maar wie ben jij eigenlijk?? Nou ja, kan wel, maar ik doe dat soort dingen eigenlijk nooit. De jongen die ik nooit herken groette mij hartelijk terug. Ik lachte nog eens vriendelijk naar hem, hield mijn pas iets in en liep toen toch verder. ?Prettig weekend!? riep hij nog. ?Ja, jij ook, h?!? zei ik en ik zwaaide nog wat met mijn Super-tasje naar hem.
Mijn hersenen projecteerden talloze vrienden van vrienden voor mijn geestesoog. Winkelpersoneel, collega?s, familie van collega?s, buren, barmannen en buitenlui trokken zich aan mij voorbij aan de binnenkant van mijn hoofd. Ik probeerde puzzelstukjes als het vage ecologische geurtje, de piercing in zijn lip en zijn algehele uitstraling het beste voor te hebben met mensen, vogels en bloemen aan elkaar te breien. Even dacht ik aan Pipo de Clown, maar die is al heel lang dood.
Peinzend en piekerend sjokte ik voort. Somber zwaaide ik mijn Super-tasjes heen en weer. Mijn hersenen waren net begonnen de lange lijst vrienden van mijn broertje af te spelen, toen opeens alles op zijn plek viel. Een grote opluchting maakte zich van mij meester. Ik wist weer waar ik hem van kende. De lucht brak open en de vogels tsjilpten.
Ik werd gebeld op mijn mobiel door een oplichtster. Zo stelde ze zich niet voor, dus eerst dacht ik nog dat ik te maken had met een doorsnee telemarketeer. Zonder te informeren of ik ?berhaupt wel tijd had voor haar oplichterspraatjes begon ze vragen op me af te af te vuren. ‘Mevrouw heeft u een lening,’ vroeg de oplichtster. ‘Nee,’ zei ik trots, want ik ben al heel lang uit het rood en dat is zo’n fijn gevoel. ‘Heeft u dan een doorlopend krediet,’ ging de oplichtster verder. ‘Nee,’ zei ik nog steeds erg met mezelf ingenomen. (Ik heb wel een doorlopend krediet, maar dat staat op nul, dus dat telt niet. En liegen tegen telemarketeers is trouwens toegestaan.)
‘Mevrouw heeft u een creditcard?’ vervolgde de oplichtster. ‘Ja, dat wel,’ antwoordde ik. (Iedereen heeft toch zeker een creditcard. Hoe moet je anders aankopen doen op internet of in het buitenland.) ‘En heeft u op uw creditcard meer of minder dan 7000 euro krediet?’ vroeg de oplichtster. Toen begonnen er bij mij alarmbelletjes te rinkelen. (Minder natuurlijk, welke gek heeft er nu meer dan 7000 euro krediet op z’n creditcard? Weet je wel hoeveel rente je daarover betaalt.) ‘Zeg, ik heb helemaal geen zin om antwoord te geven op uw vragen,’ zei ik uit de hoogte. (Zo probeerde ik te klinken, maar ik kan dat helemaal niet zo goed, dus waarschijnlijk klonk het gewoon heel vriendelijk, zoals ik altijd klink.)
‘Mevrouw,’ zuchtte de oplichtster, ‘we zijn bezig met een onderzoek naar de rentestanden in uw regio.’ (Dat zei ze echt. Alsof de rentestanden regionaal bepaald worden, bedenk ik nu eigenlijk pas.) ‘Maar het gaat u toch niks aan wat ik met mijn creditcard doe,’ vroeg ik nog, omdat ik toch een beetje onzeker werd van haar agressieve benadering. ‘Mevrouw het is voor een onderzoek en het kost maar een paar minuten van uw tijd!’ zei de oplichtster nu behoorlijk ge?rriteerd, waarbij ze me het gevoel gaf dat ik echt de eerste was die ze de hele avond had gesproken die niet gewillig zijn hele financi?le situatie door haar liet uitpluizen.
‘Moet ik het veertig keer zeggen,’ zei ik. (Ja zeg, een beetje ge?rriteerd tegen mij gaan lopen doen, terwijl zij mij op mijn vrije avond probeert op te lichten.) ‘Ik heb geen zin om uw vragen te beantwoorden!’ Het was even stil aan de aan de andere kant van de lijn. Ik was benieuwd wat de oplichtster nu nog in haar script had staan om mij tot antwoorden te verleiden. ‘Ach, hoer!’ riep de oplichtster en ze smeet de haak erop.
Meteen realiseerde ik me dat ik ternauwernood was ontstapt aan vuige oplichterspraktijken. Als ik netjes haar vragen had beantwoord had ze waarschijnlijk meteen daarna naar mijn creditcardnummer en de expiratiedatum gevraagd en was ik binnen de kortste keren 7000 euro lichter geweest. (Ok?, hier kwam ik in werkelijkheid pas drie dagen later achter toen ik in het park in de zon dit gesprek nog eens naspeelde voor mijn vrienden, die zich al snel afvroegen of een echte telemarketeer kandidaten wel hoer mag noemen. Het lijkt mij inderdaad best een goeie reden om een telemarketeer te ontslaan, als ik telemarketeerbaas was.)
De mensen in mijn omgeving zijn nogal uitvliegerig de laatste tijd. Mijn broertje zat een tijdje geleden om de haverklap in Ruanda, mijn vriend ging dus naar Sydney, mijn ouders naar Frankrijk, mijn broer en het middelste zusje P. naar Tahiti, m’n andere broer naar Amerika en mijn collega naar Cuba. En dat allemaal tegelijkertijd. Eenzaam en verlaten bleef ik achter in het anders zo knusse Utrecht. Maar dat geeft niet. Ik ben gewoon niet zo’n globetrotter en gelukkig komen ze allemaal weer terug. Ooit.
Intussen ben ik tijdens mijn eigen mysterieuze afwezigheid van anderhalf jaar op dit weblog, volkomen en nogal neurotisch verslaafd geraakt aan Lost. En dan kun je wel zeggen dat ik dat gewoon met mijn voeten bij de verwarming op de bank met de Mac op schoot naar een serie zit te kijken, maar aan de andere kant heeft het toch iets exotisch. Met zo’n onbewoond eiland in een azuurblauwe zee en allemaal mensen die dus enigszins lost zijn – letterlijk en figuurlijk, daarom is het ook zo’n goeie titel – en een monster dat feitelijk alleen maar bestaat uit wat zwartige rook, maar dat toch heel bloedstollend eng is.
In Lost stort een vliegtuig neer op een eiland en probeert een setje overlevenden nu al vier seizoenen van dat eiland af te komen. Maar zo gemakkelijk gaat dat niet. Al vanaf aflevering 1 zijn er allerlei obstakels en problemen. Zo is er dat rookmonster, maar ook blijken er op het eiland (ook al zei ik net nog dat het onbewoond was) nog andere mensen te wonen (ook wel the Others genoemd) die niet vanzelfsprekend het beste voorhebben met de mensen die daar gestrand zijn. Dan is er nog de onhandige bijkomstigheid dat het eiland qua co?rdinaten onvindbaar is voor anderen, behalve dan voor ongure types met kwade bedoelingen, zoals kill every single person on the island.
Als je eigen familie en vrienden maar hardnekkig blijven uitwaaieren over verschillende werelddelen, ga je haast als vanzelf de cast van Lost adopteren als je loved ones. Dat klinkt misschien zielig, maar zo is het nou eenmaal. Ik kan er ook niks aan doen. Ik kan me bijvoorbeeld zo’n vreselijke zorgen maken om Claire, die met baby en al voortdurend de neiging heeft om in zeven sloten tegelijk te lopen en die arme Jack die zich telkens maar weer geroepen voelt om het leed van alle eilandbewoners op zijn sterke schouders te torsen. Oh en toen dingetje (ik kan nu even niet op zijn naam komen, maar ik hield van hem als was het mijn broer) op zo een tragische wijze om het leven kwam, ben ik zeker twee dagen van slag geweest.
Maar goed, mijn lieve adoptievrienden zitten dus allemaal nog steeds vast op dat eiland en het lijkt er niet echt op dat ze er ooit allemaal en in levende lijve vanaf zullen komen. Er zijn er weliswaar al een paar op het vaste land gesignaleerd, maar dat zijn er maar zes en voor wat de rest betreft zit er niet echt schot in de zaak. En de seizoensfinale is alweer in zicht. Je kunt ook zo verdomd weinig d?en voor die mensen als je met je voeten bij de verwarming op de bank met de Mac op schoot naar een serie zit te kijken. Ik kan me daar verschrikkelijk machteloos door voelen.
Mijn vriend en ik namen een makelaar omdat we huis wilden kopen en twee huizen verkopen. Dat ging zo. Eerst kwamen we toevallig een makelaar tegen. ‘Ah, zullen we die nemen,’ zei ik tegen mijn vriend. ‘Ja, die nemen we,’ zei mijn vriend. Zo gezegd, zo gedaan.
Er zijn een paar dingen belangrijk aan een makelaar: hij moet niet onder zijn oksels ruiken, hij moet niet aan de drugs zijn en hij moet een vlotte babbel hebben. Normaal ben ik niet zo gek van mannen met vlotte babbels, maar bij een makelaar vind ik het wel op zijn plaats.
Onze makelaar voldoet aan alle bovenstaande eisen en bovendien heeft hij een uitermate vriendelijke uitstraling. Ik weet dan ook niet of we het met hem gaan redden. Uiteindelijk wil je toch iemand die zich als een soort getrainde pitbull in de zaak vastbijt en niet iemand die vrolijke lunchafspraken maakt met de tegenovergestelde makelaar in werktijd.
‘Hallo! Het is de vijand!’ wilde ik nog roepen, maar toen dacht ik: laat maar. Het zou immers zomaar een sluwe strategie kunnen zijn, waarmee onze makelaar iedereen – inclusief mijzelf, wat daar dan de gedachte achter is snap ik ook niet precies – om de tuin leidt. Makelaars houden zich namelijk voortdurend bezig met sluwe strategie?n en zo weet je eigenlijk nooit of je nu gewoon een babbeltje aan het maken bent of dat je zojuist een zet hebt gedaan in het zenuwslopende schaakspel waarin je als vanzelf verzeild raakt als je je op de huizenmarkt begeeft. Maar goed, ik heb er nooit meer iets van gehoord, dus het zal toch wel een geval zijn geweest van ouwe makelaars krentenbrood.
Behalve een uitermate vriendelijke uitstraling, heeft onze makelaar een soort ziekelijke fascinatie voor kelders. Ik weet niet of dat wat met elkaar te maken heeft en ik weet ook niet of alle makelaars deze wonderlijke eigenschap bezitten. Zodra we een huis betreden informeert onze makelaar naar de kelder en wil hij er ook in, met de hele groep. Ik heb zelf niet zoveel met kelders, dus ik zeg meestal nou neuh, maar op de een of andere manier weet hij me toch altijd die kelder in te lokken. Het is een talentje, hoor, wat dat betreft.
Een huis aanschaffen an sich blijkt moeilijker dan ik dacht. De meeste huizen waarin ik wel zou willen wonen staan niet te koop en vice versa. ‘Het is een kwestie van geduld hebben en op het juiste moment toeslaan,’ zegt onze makelaar met zijn uitermate vriendelijke uitstraling. Afijn, dat moeten we dan nog maar eens zien.
Als ik op dinsdag thuiskom, is niets meer zoals het was en ben ik cruciale zaken in mijn huishouden kwijt, zoals de schaar en het zoutvat. Maar dat is normaal. Het is nu eenmaal een ding van werksters om alles te verplaatsen, zeiden ze op mijn werk. Dan zie je dat ze zijn geweest. Persoonlijk zie ik ook wel dat ze zijn geweest aan dat de veertig euro die op tafel lagen weg zijn, maar goed, ik wil me best conformeren aan de gebruikelijke omgang met werksters. Alleen heb ik het idee dat het bij mij thuis tamelijk uit de hand begint te lopen.
Ga ik op woensdag onder de douche, staat alles wat bij de wastafel hoort op de badrand en alles wat op de badrand hoort ergens anders (niet per se bij de wastafel). Dat is niet zo erg, maar toch eigenlijk wel. Want als ik ‘s morgens mijn haar wil wassen, dan wil ik gewoon mijn haar wassen en niet eerst in mijn nakie het hele huis doorzoeken, omdat die bloody werkster heeft bedacht dat het gootsteenkastje de ideale plek is om de shampoo op te bergen.
Maar die verplaats-tic is niet het ergste. Sinds er een werkster in mijn leven is, heb ik al twee keer een nieuwe stofzuiger gekocht. De eerste was na een week spontaan onherstelbaar kapot, de tweede heb ik kunnen repareren. In die zin dat ik ging kijken wat hem dwarszat en in de stofzuigerzak de inhoud van een hele zak chips (die ik trouwens kwijt was) ?n een gedeelte van de lege chipszak vond. Maar erger nog: halverwege de slang zat mijn favoriete lippenstift (die ik ook kwijt was) stuck. De werkster gebruikt een stofzuiger dus niet alleen om te stofzuigen, maar ook gewoon om zaken die ze onderweg tegenkomt weg te werken.
Mijn werkster neemt haar kindje mee en het kindje van de werkster heeft ook zo haar hobby: dingen uit het raam gooien. Ze gaat bijvoorbeeld op zoek naar tampons om het plasticje eraf te halen en ze vervolgens uit het raam te gooien. Ze haalt iets antieks uit elkaar en gooit de onderdelen uit het raam. Ze demonteert een Labello, smeert de inhoud op de spiegel en gooit het omhulsel uit raam. Als er op mijn stoep een keur aan merkwaardige voorwerpen op een hoopje ligt, dan weet ik dat de werkster is geweest. En als het kindje van de werkster daar allemaal mee klaar is, eet ze een paar likeurbonbons, verstopt mijn autopapieren, pakt een balpen en tekent poppetjes op de tafel.
Maar het meest frustrerende is nog wel wat het kindje van de werkster doet met de apparatuur in mijn huis. Laatst vond ik een hele serie artistieke foto’s op mijn camera, allemaal van mijn huiskamer, maar met een heel apart perspectief. Pas toen ik er een afbeelding van een kindervoet tussen ontdekte, begreep ik wat er was gebeurd. Waar ik mijn laptop ook verstop, als ik op dinsdag thuiskom ligt hij steevast op de bank en hebben de documenten op mijn bureaublad namen als [[[[[[dkek=\\==-0ekkllll.doc. Laatst had ik een potentieel huis in het centrum van Utrecht bekeken en toen ik terug wilde rijden, stuurde mijn TomTom me tot mijn grote verbazing de ringweg op. Bleek mijn thuislocatie op het ziekenhuis in Nieuwegein te staan.
Ik zweer het. Ze willen me gek maken.
Het was een prachtig afscheid, maar niet heus. Eerlijk gezegd zijn mijn vriend en ik allebei niet zulke sterren in romantisch met elkaar doen, maar het verschil is dat ik nog wel bereid ben er enige efforts in te steken om het in elk geval ergens op te laten te lijken en hij helemaal niet. Toen hij vorige week zei dat-ie me misschien best ging missen, viel ik dan ook eerst van de bank van verbazing en toen heb ik heel hard met mijn pink in mijn oor geduwd omdat ik dacht er misschien iets inzat, waardoor ik heel andere woorden hoorde dan hij zei.
Maar die opmerking – ik geef toe, qua romantiek laat-ie nog te wensen over, maar het was een begin – had mij hoop gegeven voor het daadwerkelijke afscheid, dus ik had de tijd genomen om het goed voor te bereiden. Ik had zelfs een paar zinnetjes geoefend onder de douche. Het leek me dan zo leuk als we elkaar voor het douanepoortje stevig en langdurig zouden omhelzen, dat ik hem zou aankijken en mijn zinnetje zeggen, terwijl de tranen in mijn ogen blonken, maar ik me dapper vermande. Zijn reactie zou liefdevol en recht uit het hart zijn, want ik had het niet aangedurfd om van tevoren het script met hem door te nemen.
Waar het op neerkwam was dat mijn vriend vanaf het moment dat we op Schiphol aankwamen zijn uiterste best deed me zo snel mogelijk te lozen, terwijl ik hem op mijn beurt geen moment uit het oog verloor en achter hem aan holde dwars door de mensenmassa heen. Eerst hij had hij nog een handicap (grote koffer), maar toen hij die kwijt was, was hij duidelijk in het voordeel, want ik had hakken en hij gympies. Hij vertrouwde daarbij waarschijnlijk ook op mijn grote talent overal waar ik kom te verdwalen, want hij nam bizarre routes, schoot onder hekjes door, doorkruiste een groep Chinezen en sprintte trappen op zodra hij er eentje zag.
Na het inchecken kon ik hem er nog net van weerhouden meteen door de douane heen te glippen, maar alleen door voor hem te gaan staan en te gebieden: We Gaan Koffiedrinken. Dat Is Normaal. Ik wilde er nog aan toevoegen dat hij weken aan de andere kant van de wereld zou zijn, waar het dag is als het hier nacht is en dat we als we ons eenzaam voelen, niet eens dezelfde sterrenhemel kunnen zien. Maar dan had hij me echt uitgelachen en bovendien: ik kijk in Utrecht echt nooit naar de sterrenhemel, ook niet als ik me eenzaam voel, dus zoveel maakt dat nou ook weer niet uit.
Anyway, we dronken een klein kopje cappuccino dat ongeveer honderd euro kostte en bespraken de komende weken en hoe we die, zover van elkaar verwijderd, door zouden brengen. Ik prevelde er af en toe Haring 38 doorheen, want daar stond mijn auto en ik was zo bang dat als ik er straks eenmaal alleen voor zou staan, ik urenlang reddeloos verloren door de hallen van Schiphol zou dwalen, niet in staat om ooit nog de goeie verdieping in de goeie parkeergarage te vinden.
‘Loop je helemaal mee,’ vroeg mijn vriend nog argwanend. ‘Ja,’ zei ik, want in de verte zag ik het poortje van de douane al dat het decor moest zijn van mijn ingestudeerde afscheid en dat liet ik me nu niet meer door de neus boren. Maar in mijn fantasie vormden wij twee?n het stralende middelpunt en waren er slechts een paar toeschouwers die geroerd zouden staan kijken naar ons innige moment. In de werkelijkheid stond er een onoverzichtelijke berg mensen die de weg naar het poortje versperde, duwden er allemaal reizigers van verschillende nationaliteiten en twijfelachtig allooi met hun bagage tegen ons aan en renden er de hele tijd schreeuwende kinderen om ons heen.
Plots dook er een mevrouw in een lichtgevend geel hesje op die om tickets vroeg en flitste het door me heen dat ik die niet had. ‘Wacht! Ik mag niet verder!’ riep ik in paniek. Mijn vriend was al een paar meter meegevoerd door de massa en worstelde zich een weg terug. Ik klom over een voltallige Koreaanse familie, greep hem bij z’n nek en probeerde me mijn tekst te herinneren, maar het enige dat in me opkwam was Haring 38. ‘Dag liefje, ik zal je missen,’ zei mijn vriend en hij gaf me een kus en ik liet hem los en daar ging hij.
Mijn collega zei dat ze me de laatste tijd behoorlijk blogloos vond en dat vond ze nogal verdacht. Daar had ze een punt natuurlijk, maar bovendien gaf ze me de evil eyes en oi oi oi. De evil eyes van mijn collega zijn de beste evil eyes die ik ken. Dus daar ben ik weer.
Voor de liefhebbers een korte update.
- Mijn badkamer is verbouwd, maar het is mislukt. Het bubbelbad is lek.
- Ik zoek een huis in het centrum van Utrecht met een grote woonkeuken en tuin.
- Laatst heb ik een lied gezongen en dat is opgenomen op een cd.
- Ik was op vakantie in Costa Rica en daar is het mooi, maar wel erg regenachtig.
- Mijn werkster en haar dochter proberen me gek te maken, maar het is tot nu toe nog niet gelukt.
- De kleine poes vangt iedere dag 10 tot 12 sokken, brengt ze om het leven en legt ze op de deurmat.
- Morgen zet ik mijn vriend op het vliegtuig naar de andere kant van de wereld.
- Hier is het lente en daar is het herfst, maar dat komt ongeveer op hetzelfde neer.
|
|