Maar ik moest mijn stokje natuurlijk ook nog doorgooien. Het gaat naar:
- assiewam: omdat ze niet meer in Utrecht woont en dat vet niet ok? is.
- moljevic: omdat ik die vijf dingen wil weten.
- ellingmann: omdat-ie nog een stokje van me tegoed had.
Nog altijd een heikel punt in de weblogwereld voor zover die nog bestaat nu de hele wereld weblogt: stokjes. Natuurlijk ben ik niet te beroerd om een stokje op te vangen als mij dat wordt toegeworpen. (Ik niet.) Ik kreeg het van Annem?rie.
Vijf dingen die u (waarschijnlijk) niet van mij weet en waarvan ik betwijfel of u ze wel wilt weten, maar dat doet er niet toe bij dit stokje.
1. Ik heb een hekel aan tandenpoetsen voor het slapen gaan en dat doe ik dan ook bijna nooit. Sommige mensen zeggen dat ik daarom een viezerik ben, maar ik heb het onderzocht en of je nu wel of niet je tanden poetst ‘s avonds, stinken doe je de volgende morgen toch. Ik heb bijna nooit gaatjes en als ik bij de tandarts ben zegt-ie altijd dat ik goed poets en dat beaam ik dan trots. Dus dat hele verhaal van drie keer per dag tandenpoetsen is een soort fabeltje dat de wereld in is geholpen door de tandpasta-industrie.
2. Ik roep al 10 jaar dat ik pas gelukkig zal worden als ik een bad heb en een afwasmachine.
3. De nieuwe man in mijn leven heet Bob. Ik heb hem gevonden op het internet en ik heb hem genomen omdat hij Bob heette en ik dat wel
vond. Bob gaat mij in de komende dagen gelukkig maken. Vandaag is hij begonnen aan de inbouw van de afwasmachine en volgende week komt het bubbelbad. Daarna gaat hij weer weg. Andere mensen gelukkig maken waarschijnlijk.
4. Ik ben 33, maar ik heb nog altijd telefoonangst. Maandag nog heb ik voordat ik een klant moest bellen, eerst mijn moeder gebeld, zodat ze me moed kon inspreken. Als ik dat doe wordt ze meestal vooral boos, omdat ik nog altijd zo’n mietje ben.
5. Toen ik voor het eerst naast een zeker iemand wakker werd, zei hij: ‘Hee je hebt een zeepaardje op je rug.’ Maar het is een
.
Het verhaal dat volgt heeft weinig tot niets met kerst te maken, maar het is wel een droevig verhaal met een pijnlijk afscheid en een vermoedelijke hereniging, dus daarom plaats ik het toch maar met kerst. (Behalve dan dat het allang geen kerst meer is, maar dat is een kleinigheid waar u verder niet op hoeft te letten.)
Het was op een bittergure dag in mei of juni. Nou ja, bitterguur is misschien een groot woord, maar in elk geval was het wel regenachtig en waarschijnlijk ook somber. Zonnig als ik zelf van aard ben, trok ik mij weinig aan van het barre weer en goedgemutst ging ik na ‘t werk op huis aan. Kordaat stapte ik mijn eigen drempel over, nog niet wetend welk onheil mij boven het hoofd hing.
Binnen werd ik overvallen door een enorme leegte. En: een groot gemis. Het was alsof ik helemaal alleen in dat grote huis woonde. Er hing een doodse stilte die nog eens werd benadrukt doordat ik niet werd begroet door een miauwende kat genaamd Floris. In de keuken trof ik wel haar etensbakje aan. Het was tot de rand toe gevuld met de brokjes die ik er zelf ‘s morgens had in gedaan. Floris had er geen hap van genomen. Het werd mij koud om het hart. Het leek erop alsof mijn trouwe metgezel, of liever gezegd mijn humeurige kat, via het kattenluik mijn leven was uitgewandeld. Ik rende naar boven, gooide de slaapkamerdeur open en verstijfde van schrik. Het bed was… onbeslapen.
Dat was het begin van de vermissing van Floris. Dagen heb ik vervolgens door de wijk gelopen, speurend tussen de struiken en onder auto’s. Uren heb ik haar naam in mijn achtertuin geroepen, tot mijn roep niet meer was dan een schorre fluistering. Vertwijfeld heb ik met haar bakjes gerammeld, honderden keren heb ik de koelkast open en dicht gedaan, ik heb geklapperd met het kattenluik tot de scharnieren het begaven en al mijn buren heb ik aangeklampt om ze te smeken alsjeblieft uit te kijken naar een klein, grijs poesje met een rode gloed, van 12 jaar oud, luisterend naar de naam Floris en met soms wat valse neigingen, maar hebben we die niet allemaal. Afijn, de dagen verstreken, de klok tikte verder en Floris kwam niet meer terug, daar komt het feitelijk op neer. De dierenambulance had haar ook niet opgepikt dus mijn kat was definitief weg of misschien wel dood.
Het was allemaal echt heel naar en verdrietig, maar wel een beetje saai verhaal dus als u wilt weten hoe ellendig ik me voelde kunt u misschien zelf even Googlen op bijvoorbeeld ‘kat weggelopen (dood?) na 12 jaar trouwe vriendschap’. Dan slaan we het stukje van eindeloos rouwen en de talloze Pet Sematary-achtige nachtmerries verder even over en jumpen we meteen naar het stukje van dat ik een nieuwe kat wilde.
Het was inmiddels november ofzo en ik kon de leegte en de allesverterende eenzaamheid in het grote huis niet meer verdragen. Dus was ik naar de website van het Dierenasiel Utrecht gesurft. Het idee was dat ik er zo snel mogelijk een poes of een kater op ging halen, liefst een jonkie. Al bladerend door het kattenassortiment, stokte mij plots de adem in de keel. Ik had (per ongeluk, want ik wilde dus een jonkie) op een poes geklikt waarbij stond:
Mickey is een Cyperse poes van ongeveer 10 jaar. Ze zit hier al maanden en geen eigenaar die haar op komt halen.
Naast deze niet echt wervende USP’s stond een weinig flatteuze foto van Mickey, die net van het toilet afkwam en woest de camera inkeek. Maar dit was dus niet Mickey maar mijn eigen Floris, duidelijk ontriefd doordat ze op zo’n intiem moment gefotografeerd werd en waarschijnlijk ook door de algehele uitzichtloosheid van haar situatie. Toeval bestaat niet, dacht ik. Dit heeft zo moeten zijn dat ik, op zoek naar een nieuwe kat, mijn oude terugvind. Ik kon het haast niet geloven en tegelijkertijd voelde ik een intens verlangen mijn doodgewaande kat in de armen te sluiten, ondanks haar neiging tot het eraf krabben van mijn wangen als ik dat weleens probeerde.
Ik keek nog eens goed en het was werkelijk waar. Dit was mijn eigen gefrustreerde kat met wie ik 12 jaar lief en leed had gedeeld, die toen ze nog een baby was al in mijn leven kwam, die met elke verhuizing meeverhuisde. Om onbegrijpelijke redenen was ze in het asiel terechtgekomen, waar ze maanden tevergeefs op mijn komst had zitten wachten. Daar zou iedereen boos van gaan kijken! Met kloppend hart greep ik naar telefoon om het asiel te bellen, zodat ik zo snel mogelijk een emotioneel weerzien kon bewerkstelligen.
Maar ze waren al dicht.
In de serie ‘Hoe dient een kleine zelfstandige zich te gedragen’ wil ik het vandaag met u hebben over de aantrekkingskracht van groothandels en met name de Office Center. De Office Centre is het paradijs voor de kleine zelfstandige. Zodra kleine zelfstandigen de Office Centre betreden raken ze een soort van stoned en gaan ze bijvoorbeeld met elkaar bespreken wat het grote voordeel is van mapjes met flapjes ten opzichte van mapjes met ombuiglipjes. Om maar eens een voorbeeld te noemen. Mapjes met ombuiglipjes zijn trouwens heel onhandig, want dan moet je ook gaatjes maken in alles wat je erin stopt en het is veel ingewikkelder om een of twee papiertjes eruit te halen, omdat je die nou net even nodig hebt.
Later op die dag zou kantoorgenoot H. verzuchten: ‘Heerlijk, die geur van nieuwe geeltjes.’ Kortom, iedere zichzelf respecterende kleine zelfstandige heeft een pasje van de Office Center. (Behalve ik dan, maar dat kwam alleen maar doordat ik even per ongeluk uit het systeem was gevallen, zoals ik wel vaker de neiging heb uit systemen te vallen en ?berhaupt te vallen eigenlijk. Wat is dat toch.)
Op een goede dag hadden ik en mijn kantoorgenoten een missie. U raadt het waarschijnlijk al: we gingen een dagje naar de Office Centre. Klokslags nine a.m. hadden wij ons verzameld. De koffie sloegen we over. Wij trokken onze jassen aan, pakten onze broodtrommeltjes en spoedden in onze respectievelijke auto’s naar Nieuwegein.
Ook zoiets: de verstelbaarheid van bureaustoelen. Hoe zit een mens op een bureaustoel en wat zegt dat over je persoonlijkheid? Ik zit bijvoorbeeld zelf het liefst een beetje achterovergeheld, terwijl Impa – u allen bekend uit de reacties – het liefst schuin naar voren zit, zo schuin dat ze eigenlijk nog maar net niet naar voren valt. Het ziet er best grappig uit, maar ook vermoeiend. Waarschijnlijk ben ik dan toch weer wat relaxter en heb ik en minder de neiging tot het neurotisch rechtop zitten, waar je tegenwoordig overigens steeds meer mensen op betrapt.
Maar het allercoolst is natuurlijk dat je bij de Office Centre heel veel tegelijk van iets kunt kopen, bijvoorbeeld printerpapier, afwasmiddel, Cup a Soup, geeltjes en mapjes. En koffie en thee. Het enige wat eigenlijk schrijnend ontbreekt in het assortiment van de Office Centre zijn kersttulbanden, -kransen e.d. terwijl we toch echt morgen met de mensen uit onze office een kerstbrunch hebben, dus het is totaal niet zo dat dat artikelen zijn die je niet nodig hebt als je op een kantoor werkt.
‘Jij rijdt eigenlijk best wel raar,’ zei Impa op de terugweg.
‘Pardon?!’ zei ik en ik duwde nog wat harder op het gaspedaal. Kritiek op mijn rijstijl, daar kan ik dus totaal niet tegen.
‘Nou, je rijdt nu bijvoorbeeld 100 terwijl je hier maar 70 mag,’ zei Impa.
‘Zucht,’ zei ik.
‘Je snapt toch wel dat ik zo hard mo?t rijden,’ zei ik.
‘Straks zijn onze kantoorgenoten J. en H. eerder op kantoor en gaan ze zeggen dat wij mietjes zijn.’
‘Oh ja, tuurlijk, sorry,’ zei Impa.
Toen pakte ze een bonnetje van de grond en begon daar wild iets op te krassen. Even later hield ze het papiertje tegen het raam, precies op het moment dat we met een briljante inhaalactie van mijn kant onze kantoorgenoten H. en J. inhaalden. In mijn spiegel zag ik dat kantoorgenoot H. ons verontrust nakeek.
Eenmaal terug in onze eigen office ontdekten wij dat wij ons vooral hadden gericht op de Cup a Soup. Bijna iedereen had wel een paar grootverpakkingen Cup a Soup meegenomen en dan was er ook nog een gezamenlijke groot-grootverpakking Cup a Soup aangeschaft. Als wij nu met z’n allen raken ingesneeuwd in ons gebouw – en dat zit er dik in met dit gure weer – dan kunnen wij tot half 2007 overleven op Cup a Soup. Dat is aan de ene kant een geruststellend idee.
Wat Impa op het briefje schreef.
Voor ik aan dit stukje begin wil ik alvast ??n hardnekkig misverstand uit de wereld helpen. Het politiebureau Paardenveld in Utrecht lijkt in niets op CTU. Dus niks geen continu rinkelende telefoons, zorgelijk kijkende Tony Almeida’s of verhoorkamertjes met glazen wanden waar de terroristen in- en uit lopen. Mijn eigen kantoor lijkt om eerlijk te zijn nog meer op CTU dan het politiebureau Paardenveld, vooral omdat ik net zo’n bureaulamp heb als Chloe en Edgar, namelijk een F?rja, nog altijd een belangrijk en succesvol item in het assortiment van Ikea.
De agent die mij verhoorde (als in dat-ie mijn aangifte opschreef) leek ook maar heel in de verte op Jack Bauer en hij zei bijvoorbeeld helemaal niet ‘You did great,’ toen ik vertelde dat ik er plus minus dertien uur na het daadwerkelijke misdrijf achterwam dat mijn tas met alles erin gestolen was. In plaats daarvan keek hij mij aan alsof ik ter plaatse in een olifant was veranderd, namelijk heel verbaasd.
‘Ik dacht dat voor vrouwen hun tasje altijd hun heiligdom was, dat ze met hun leven beschermden,’ zei de agent terwijl hij zijn wenkbrauwen zo hoog optrok als hij kon, ze raakten bijna zijn haar aan. Dit om aan te geven dat het in zijn optiek haast onmogelijk was dat ik maar liefst dertien hele uren geen lijfelijk contact had willen maken met mijn tasje.
Dat was het moment waarop ik brak of in elk geval het moment waarop ik niet wist wat ik moest zeggen. Was ik eerst nog behandeld met alle egards die op zijn plaats zijn als het om het slachtoffer van een misdrijf gaat, opeens beschuldigde men mij van onvrouwelijkheid en keek men naar mij ware ik een of andere dader of op zijn minst verdachte. Hoe kan ik dit in hemelsnaam weer ongedaan maken, dacht ik bij mezelf.
Tot overmaat van ramp kwam er een andere agent binnen – die zelfs totaal niet op Tony Almeida leek – met een mobiele telefoon in zijn hand.
‘Weet jij wat voor model dit is?’ vroeg hij aan de agent die maar heel in de verte op Jack Bauer leek.
En toen zei ik, tot mijn eigen opperste verbijstering en om het allemaal nog veel erger te maken:
‘Dat is een Nokia 6230.’
Dat was heus niet omdat ik een of andere technische nerdgrrl ben die alles van gadgets en mobieltjes weet, maar gewoon omdat h??l v??l mensen die ik ken een 6230 hebben. Echt wel honderd ofzo, het is een heel populair model in mijn vriendenkring. Dus ik wist het en het floepte er zo uit, zonder dat ik erbij nadacht, terwijl het natuurlijk betekende dat de heel in de verte Jack Bauer-achtige agent nu zeker wist dat ik stiekem een jongen was en mij met nog meer achterdocht zou bejegenen.
Daarna moest ik ook nog bekennen dat er in mijn tas alleen een portemonnee zat en niet bijvoorbeeld een lippenstift of oogschaduw of een heel etuitje met opmaakspulletjes. Het is natuurlijk heel meisjesachtig onhandig om een hele tas mee te nemen om alleen je portemonnee te dragen, maar dat drong dan weer niet tot hem door.
Toen ik alles aan het opsommen was wat er in mijn portemonnee zat, zoals mijn rijbewijs, al mijn bankpasjes en credit cards en mijn bijna volle koffiekaart waarmee ik een gratis cappucino had kunnen krijgen als hij niet gestolen was, schoot mij gelukkig ook de klantenkaart van de Body Shop te binnen.
‘Mag ik vragen wat dat is, de Body Shop’ zei de agent.
‘Dat is een winkel waar ze all??n maar make-up verkopen,’ zei ik trots.
‘En ik kom daar h??l vaak!’
Ik vond het zelf een goede poging om mijn eer te redden, maar de wenkbrauwen van de agent die maar heel in de verte op Jack Bauer leek zaten nog steeds niet helemaal op hun plaats, of misschien hoorden ze daar wel zo ongeveer halverwege zijn voorhoofd te zitten, zo goed had ik er nou ook weer niet op gelet.
‘Officieel mag je hiermee niet autorijden,’ zei de agent toen hij mij het document overhandigde waarin hij alles had opgeschreven.
‘Mag het wel stiekem,’ vroeg ik.
Nou, dat mocht gelukkig wel.
Want ik ben ziek ja! Altijd als ik om iets verzoek, krijg ik het precies verkeerd. Vraag ik om herfst, krijg ik griep bijvoorbeeld. Mijn hele hoofd zit vol met (geel) snot. Ik moet zo hard hoesten dat de buren komen klagen. (Nee hoor, dat zou ik echt heel stom vinden. Ik kan er toch zeker niks aan doen dat ik ziek ben!)
Mijn moeder zegt altijd als ze vindt dat ik iets te lang ergens over doorzeur: ‘Er zijn ook mensen met een dwarsleasie.’ Ik vind dat een klein beetje irritant, vooral als ik net een heel serieus verhaal aan het vertellen ben over dat ik zo hard heb gehoest dat ik er bijna van moest overgeven.
Aan de andere kant: er zit wel wat in, die het kan altijd erger-attitude. Daarom lees ik als ik heel ziek ben ook graag boeken over mensen die doodgaan. Het gelukkige toeval wil dat vorige week de nieuwe Elizabeth George is uitgekomen, doorgaans een garantie voor toch zeker een dode per hoofdstuk. Helaas heeft mijn favo-misdaadschrijfster besloten het nu eens helemaal anders aan te pakken, namelijk met een boek zonder moord. (H??l bizar.) Ik ben al op minstens 100 bladzijden en er is nog niet ??n lijk voorbijgekomen en mijn lievelingsinspecteurs Thomas Lynley en Barbara Havers schitteren ook door afwezigheid. Het is al met al een bittere teleurstelling.
Maar dan is er nog altijd 24! Dit weekend rondde ik in al mijn ziekte seizoen 4 af op dvd. Er gingen veel mensen dood, een enkeling werd weer levend en Jack Bauer verving zijn stokpaardje ‘You have to trust me’ door ‘You did great’. En dat zei hij dan vooral tegen mensen die er echt een puinhoop van maakten, bijvoorbeeld door zichzelf per ongeluk te verraden aan de terrorist, een koffer met alle gegevens over kernkoppen gewoon af te staan omdat er een pistool op hun gericht was of volledig door te slaan na een paar martelingen. En dan bedoelde hij het nog niet eens sarcastisch. Jack heeft een groot hart, dat blijkt maar weer, naast dat-ie natuurlijk een eerste klas held is, die keer op keer de wereld redt.
Toen ik vannacht niet kon slapen van mijn eigen gehoest, ben ik ook begonnen aan Besluiteloos van Benjamin Kunkel. Er gaan niet zoveel mensen dood, maar ‘t is wel heel grappig.
« Vorige Pagina |
Toon berichten 17-24 van 470 |
Volgende Pagina »